Menu

Recente commentaren

RSS FilosofieFeed

Site doorzoeken

Archief

Categorieën

Populair

Links

Archeologie van het heden

Twee jaar geleden publiceerde socioloog Willem Schinkel zijn vuistdikke studie Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Het is opvallend hoe stil het bleef rondom deze publicatie, gezien de kritiek die Schinkel hierin uitte aan het adres van zijn vakgenoten. Vlak na zijn optreden in het tv-programma Zomergasten afgelopen zomer, verscheen van zijn hand De gedroomde samenleving. Hierin herneemt hij de kritiek uit zijn vorige boek, maar gezien het relatief toegankelijke taalgebruik en de handzame omvang heeft dit boekje de potentie om een grote lezersgroep te bereiken. Beide boeken geven een diagnose van de hedendaagse samenleving en analyseren het integratiedebat in Nederland. Schinkel laat zien dat deze thematiek verre van uitgekauwd is, hij claimt zelfs dat deze tot nu toe zelden werkelijk doordacht is.

In een tijd waarin de Grote Verhalen hun overtuigingskracht verloren hebben, wordt er op grote schaal angstvallig een antwoord gezocht op de vraag wie ‘wij’ zijn en wat ‘ons’ bindt. Juist wanneer deze vanzelfsprekendheid wegvalt, ontstaat namelijk de behoefte aan een hernieuwde fixatie van een ‘wij’, een ‘samenleving’ en een ‘onze cultuur’. Schinkel stelt daarom de diagnose dat de samenleving aan sociale hypochondrie lijdt: door onze overbezorgdheid en voortdurende zelfanalyse praten we het sociaal lichaam ‘samenleving’ allerlei kwalen aan. Dit zien we duidelijk aan het licht treden in het integratiedebat.

Het integratiebeleid is er ogenschijnlijk op gericht om een bepaalde groep burgers die zich ‘buiten de samenleving’ bevindt binnenboord te halen door hen te integreren. Maar juist het spreken in termen van integratie heeft een averechts effect, aangezien het de veronderstelde scheiding die het probeert op te heffen – tussen leden van de samenleving en niet-geïntegreerden die zich buiten de samenleving bevinden – zelf voortdurend teweegbrengt.

Taalfilosofen als Austin en Searle hebben aangetoond dat van taal een constituerende werking uit kan gaan. En dat is precies wat – bedoeld of onbedoeld – gebeurt in het spreken in termen van integratie. Schinkel bekritiseert dan ook de pretentie van sociale wetenschappers om objectief te kunnen spreken en schrijven over een sociale werkelijkheid; spreken en schrijven zijn zelf ook sociale activiteiten. Hij laat zien hoe een eeuwenoude traditie van organicistisch denken ons vertrouwd heeft gemaakt met het beeld van de samenleving als sociaal lichaam. Maar een dergelijke ruimtelijke metafoor is geen neutrale weergave van de bestaande werkelijkheid, eerder fungeert het als strategisch concept. Het beeld van een lichaam impliceert immers ook een domein dat zich buiten dat lichaam bevindt. Zo wordt het dus mogelijk te spreken over een grote groep inwoners van een land als zijnde ‘de samenleving’, terwijl andere inwoners beschreven kunnen worden als ‘buiten de samenleving’ en zelfs als bedreigend voor het sociale lichaam, als indringers die het lichaam willen penetreren. Door het ene aan te wijzen als het normale, of gemiddelde, definieer je automatisch het andere als afwijkend.

Een dergelijk spreken is niet alleen normatief, maar ook performatief; het stelt een grens en brengt zichzelf voortdurend tot stand. Door steeds te benadrukken dat afwijkende groepen (Marokkanen, Antillianen, schooluitvallers, kansarmen, (ex)gedetineerden, werklozen, etc.) dienen te integreren, of moeten gaan ‘meedoen’, beweer je in feite dat deze individuen vooralsnog niet tot de samenleving behoren. Het spreken over integratie heeft zo een zekere sociale productiviteit; het bevordert een voortdurende uitsluiting van diegenen bij wie integratie geproblematiseerd wordt.

Schinkels analyse is uitvoerig en geeft een originele kijk op hedendaagse sociaal-politieke problematiek. Maar voor (aankomende) filosofen is zijn analyse ook om andere redenen interessant. De methode die hij gebruikt is namelijk rechtstreeks afkomstig uit het poststructuralisme. Schinkel analyseert niet het handelen van individuen, maar het discours, het netwerk van mogelijke spreekposities waarbinnen het integratiedebat plaatsvindt. Schinkel treedt zo in de voetsporen van Foucault, aangezien hij aangeeft een archeologie van de samenleving te willen schrijven. De archeologische methode legt connecties bloot die binnen het gangbare spreken verborgen blijven of gecensureerd worden en ontwikkelt zo een alternatief perspectief. Dit levert een interessant voorbeeld op van hoe een beproefd filosofisch gereedschap toegepast wordt op een actueel probleem.

Wie wil afwijken van gevestigde opvattingen dient behoedzaam te werk te gaan. Het is niet mogelijk je volledig van de gangbare begrippen te distantiëren, want in dat geval begrijpt niemand waar je het over hebt, maar wanneer je deze termen klakkeloos overneemt krijg je hun politieke werking er automatisch bij. Het bestaande spreken is nu eenmaal ingebed in allerlei betekenispraktijken. Wil men een denken voortbrengen dat zich distantieert van het gangbare, dan is het nodig de gehanteerde begrippen los te weken van hun vanzelfsprekende context. Schinkel ziet zichzelf dan ook gedwongen de belangrijkste termen uit het integratiediscours consequent van aanhalingstekens te voorzien, om zo hun automatische gebruik voortdurend te verstoren en te verbreken. Het zal nooit lukken om volledig buiten het discours te spreken – men zou simpelweg niet gehoord worden – maar het is wel mogelijk om de grenzen en de interne paradoxen van het discours op te zoeken, en dat is precies wat Schinkel doet.

Schinkel toont aan hoe de productiviteit van het integratiediscours erin bestaat het fictieve domein ‘samenleving’ te plaatsen tegenover het al even fictieve ‘buiten de samenleving’. Met behulp van een negatieve definitie verstevigt ‘de samenleving’ zichzelf door aan te wijzen wat er niet toe behoort. Schinkel beschrijft overtuigend hoe deze huidige vormen van spreken over samenleving een zekere gewelddadigheid voortbrengen. Geweld wordt hierbij opgevat volgens de ontologische definitie van geweld, zoals Schinkel deze in zijn dissertatie Aspects of violence (2005) heeft uitgewerkt – geweld als ‘een reductie van zijn’. Dergelijk geweld vindt plaats bij al die individuen die stelselmatig te horen krijgen dat zij behoren tot een groep die zich buiten de samenleving bevindt.

Zoals gezegd staat ook Schinkels spreken in een lange traditie, een traditie die doorgaans wordt aangeduid met ‘poststructuralisme’. Dit perspectief toont andere verbanden, maar kan nooit volledig zijn. Ook Schinkels spreken kan bestudeerd worden, en zo zouden we kunnen komen tot een analyse van het ‘discours’-discours. Hierin wordt het discours beschouwd als een zelfstandig organisme. Dit zien we terug in de grammaticale structuur, ‘het discours’ fungeert hierin als onderwerp en krijgt zo de status van handelend subject toegewezen. Een van de gevolgen van deze spreektraditie is dat er geen individuele personen aangewezen kunnen worden als verantwoordelijk voor hun taaldaden – het is immers het discours dat door haar differentiërende werking mensen uitsluit. Het individu wordt in deze traditie zelf opgevat als sociale institutie of sociaal proces en valt dus niet samen met een begrip van de mens als organisme of levend wezen.

In deze radicale, maar consequent doorgevoerde benadering, wordt het individueel menselijk handelen buiten het domein van de sociologie gehouden. Schinkel wijt de uitsluiting van bepaalde groepen dan ook niet aan de verrechtsing van de politiek. Wanneer politici verwijtend spreken dat bij populistisch rechts de toon van het debat ontaardt, hebben zij gelijk in zoverre dat het inderdaad vooral de toon is waarin rechts verschilt van links. De conclusies die getrokken worden zijn extremer, maar de onderliggende gedachte komt grotendeels overeen; beide flanken spreken vanuit hetzelfde discours.

De enige groep die van Schinkel een direct verwijt krijgt zijn zijn vakgenoten, aangezien je juist van sociologen en wetenschappers zou mogen verwachten dat zij over voldoende kritisch denkvermogen en reflexiviteit beschikken om de gekleurde begrippen die doorgaans gebruikt worden niet klakkeloos over te nemen, maar te onderzoeken en te problematiseren. Helaas gebeurt dit volgens Schinkel slechts bij hoge uitzondering.

Denken in een tijd van sociale hypochondrie beschrijft Schinkel uitgebreid de historische achtergrond waaruit zijn analyse is ontstaan en geeft hij een kritische reflectie op de rol van de sociale wetenschap. Maar voor wie kennis wil maken met een originele analyse volstaat het om De gedroomde samenleving te lezen. Hierin wordt de thematiek tot de kern teruggebracht zonder dat het een oversimplificatie wordt. Er is zelfs sprake van enige overlap tussen de verschillende hoofdstukken, aangezien Schinkel steeds weer om zijn object heen cirkelt en het vanuit verschillende hoeken analyseert.

Jappe Groenendijk

Willem Schinkel (2007) Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij. Kampen: Klement, 517 p., € 37,95.
Willem Schinkel (2008) De gedroomde samenleving. Kampen: Klement, 160 p., € 16,95.

Deze recensie verscheen eerder in Cimedart.

Comments

Pingback from De schijn heerst | dooduzelf.nu
Time: 24/08/2009, 21:30

[…] “Veelzeggend” dat is een geweldig argument, en de analyse van Pierre Bourdieu is ook helemaal af Rutger. Nee, iedereen die Pierre Bourdieu bewondert praat onzin, daar hoef je niet mee in dialoog te gaan, net zo min als men in dialoog moet gaan met Tariq.  Schinkels ’denken in een tijd van sociale hypochondrie’ zou volgens Rutger dus ‘typisch sociologisch’ moeten zijn (wanneer hij het boek leest ontdekt hij het tegendeel, Schinkel verzet zich tegen de heersende opvattingen in de sociologie en verwijt zijn vakgenoten gebrek aan denkvermogen en reflexiviteit, in feite wijst hij direct de heersende ‘typische sociologie’ af, een leesbare recensie werd uitgebracht door cimedart, uitgegeven door afdeling wijsbegeerte van de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam). Een uiterst opmerkelijk standpunt van de heer Schimmel waar hij alleen in staat, maar dat hoeft hij natuurlijk niet toe te lichten.  Rutger Schimmels blog leert het volgende: ”Ik ben tweedejaars geschiedenis in Utrecht. (..) Mijn politieke houding is conservatief te noemen. In Nederland is dat nog steeds een scheldwoord (nauw verwant aan ‘reactionair’ en ‘fascist’), maar daar komt steeds meer verandering in. Ik hoop daar iets aan bij te dragen.” Om maar even in de sterke retoriek van Rutger te blijven: “Rutger is in zekere zin een typische tweedejaars geschiedenis met een ambitie om iets af te weten van filosofie en politiek, maar niet met de intellectuele mogelijkheden hiertoe. Dus dan maar geschiedenis. Hij is duidelijk tweedejaars en conservatief. Veelzeggend” […]

Schrijf een opmerking