Wordt de filosofie in haar bestaan bedreigd?
Volgens sommigen staat het voortbestaan van de filosofie als universitaire discipline op het spel. Filosofische faculteiten boeten steeds meer aan belang in en het zou nog een kwestie van tijd zijn voordat de universitaire wijsbegeerte geen enkele rol van betekenis meer speelt. Er wordt in de regel gewezen op twee verschillende existentiële bedreigingen voor de filosofie als wetenschap.
In de eerste plaats zou de wijsbegeerte ten onder gaan omdat zij tegenwoordig niet meer in staat is om haar maatschappelijk belang voldoende aan te tonen. De laatste decennia zien we een toenemende invloed van het bedrijfseconomische nuttigheidsdenken op de universitaire wereld. Wetenschap wordt steeds vaker begrepen als een product dat voorziet in een bepaalde markvraag en dat daarom op een doelmatige en effectieve wijze moet worden geleverd aan consumenten. Het onderwijs en onderzoek aan de universiteiten dient daarbij met name in dienst te staan van het liefst direct realiseren van economische groeidoelstellingen. Als gevolg hiervan worden universitaire faculteiten tegenwoordig vooral beoordeeld op hun concrete meetbare bijdrage aan het maatschappelijk-economische proces. Het gaat daarom nog bijna uitsluitend over de vraag naar het toepassingsnut van wetenschap. De resultaten van de wetenschap moeten praktisch bruikbaar zijn. Men meet het aantal afgestudeerden dat direct op de arbeidsmarkt inzetbaar is of men peilt de mate waarin onderzoek een bijdrage levert aan onze internationale economische concurrentiepositie. Door dit doorgeschoten marktdenken binnen onze maatschappij wordt wetenschap vaak nog louter beschouwd als middel in plaats van als doel in zichzelf. In een dergelijk klimaat zou een discipline als de filosofie daarom in zwaar weer terechtgekomen zijn. Wat is immers het meetbare onmiddellijke praktische nut van de filosofie? In welke mate draagt zij bij aan economische groei of aan de verbetering van onze bedrijfseconomische concurrentiepositie?
Een tweede veelgehoorde reden voor de these dat de wijsbegeerte als universitaire discipline onder toenemende druk staat betreft het feit dat de filosofie steeds meer terrein zou verliezen aan de positieve wetenschappen. Onderzoeksvragen die traditioneel exclusief tot haar domein behoren zouden de laatste decennia in toenemende mate en vaak ook op succesvolle wijze worden behandeld door linguïsten, fysici, biologen, neurologen en psychologen. Deze positieve wetenschappers weten juist door hun verfrissende andersoortige invalshoek tot nieuwe en verrassende inzichten te komen. Door deze vermeende uittocht van traditioneel wijsgerige probleemstellingen naar de positieve wetenschappen zou het onderzoeksobject van de filosofie worden uitgehold. Hierdoor zou zij marginaliseren en verworden tot een inerte activiteit louter gericht op het angstvallig conserveren van haar eigen denkgeschiedenis.
Is deze analyse adequaat? Het hierboven geschetste beeld van een de wijsbegeerte fundamenteel bedreigende maatschappelijke ontwikkeling lijkt alles behalve accuraat. Om te laten zien dat er van een existentiële bedreiging van de filosofie géén sprake kan zijn dienen we nader stil te staan bij de vraag naar de verhouding tussen de filosofie als wetenschap en de positieve vakwetenschappen. Wat is nu precies het onderzoeksobject van de wijsbegeerte en in welk opzicht verschilt haar opdracht en telos van dat van de positieve wetenschappen?
In zijn Marburger voordracht uitgesproken op 9 maart 1927 bespreekt Heidegger precies deze vraag naar de relatie tussen de filosofie als wetenschap en de positieve wetenschappen. Het gaat Heidegger hierbij om de principiële a priori wezensverhouding tussen beiden en niet om een factische empirische vergelijking tussen de op dat moment historisch voorhanden zijnde wijsbegeerte en positieve vakwetenschappen. Volgens Heidegger zijn er noodzakelijk twee grondvormen van wetenschapsbeoefening: ‘wetenschappen van het zijnde, ontische wetenschappen – en de wetenschap van het zijn, de ontologische wetenschap, de filosofie. De ontische wetenschappen hebben als thema telkens een gegeven zijnde dat altijd al op zekere wijze voor de wetenschappelijke onthulling onthuld is. Wetenschappen van een gegeven zijnde, een positum, noemen we positieve wetenschappen’. Iedere positieve wetenschap benadert een bepaald beperkt deelgebied van het zijnde op rechtstreekse wijze. Zij bestudeert een gesloten gebied van reeds onthulde en onmiddellijk voorhanden zijnden. Het behoort daarom ‘tot de positiviteit van een wetenschap dat er überhaupt een zijnde, dat al op een of andere wijze onthuld is, in zekere mate voorhanden is als mogelijk thema van theoretische objectivering en ondervraging’. De filosofie vertrekt echter vanuit een principieel andere invalshoek, namelijk ‘van het zijnde naar het zijn, waarbij nochtans juist het zijnde, weliswaar voor een gemodificeerde instelling, nog in het oog gehouden wordt’. Het verschil tussen de individuele positieve wetenschappen onderling is dan ook slechts relatief. Iedere positieve wetenschap is louter op een bepaald afgesloten objectgebied van de zijnden gericht. Haar zakelijke methode van theorievorming kan slechts accidenteel verschillen van de andere vakwetenschappen ‘overeenkomstig de zijnsaard en de specifieke inhoud van het door haar onderzochte deelgebied van het zijnde (haar positum)’. Het verschil tussen ieder van de positieve wetenschappen en de filosofie is daarentegen echter absoluut.
Uitgaande van deze uiteenzetting keren we terug naar de vraag of de filosofie in haar bestaan kan worden bedreigd. Niets is minder waar. De tweede van de eerder geschetste bedreigingen stelde dat de filosofie wordt gemarginaliseerd omdat het erop lijkt dat de positieve vakwetenschappen steeds meer activiteiten van haar overnemen. Uit Heidegger’s duiding van de relatie tussen de filosofie en de positieve wetenschappen volgt echter dat dit helemaal niet het geval kan zijn. Er is hier sprake van een geheel andere interactie tussen filosofie en de positieve vakwetenschappen. Het behoort tot de opdracht van de filosofie om bepaalde gebieden van het zijn voldoende te onthullen ofwel te ontsluiten en zo voor positieve wetenschapsbeoefening toegankelijk te maken. Het komt aan de positieve wetenschappen toe om de al onthulde en ontsloten objectgebieden van zijnden verder te objectiveren. Zo beschouwd is het dus juist een teken van succes dat de filosofie nog altijd in staat is om de positieve wetenschappen van nieuwe objecten en vragen te voorzien. De wijsbegeerte zou aan haar eigen taak voorbij gaan wanneer zij dit objectiverende vervolgonderzoek van de zijnden zelf ter hand zou nemen.
Andersom wordt door de voortgaande ontwikkeling van de positieve vakwetenschappen de filosofie steeds voor weer nieuwe uitdagingen gesteld. De opdracht van de wijsbegeerte is precies daarom onbegrensd en onherleidbaar fundamenteel. Elk van de positieve vakwetenschappen valt restloos met haar objectgebied samen en is daarom niet daadwerkelijk in staat om van haar eigen activiteiten te abstraheren ofwel een voldoende reflexieve denkhouding ten opzichte van haar onderzoeksobject in te nemen. Aan een fundamentele interdisciplinaire reflectie op de verhoudingen tussen de verschillende vakwetenschappen onderling komt ieder van de positieve wetenschappen al helemaal niet toe. De broodnodige reflectie op de verhouding tussen wetenschap en andere cultuurbepalende domeinen zoals kunst, politiek en religie kan binnen het kader van iedere afzonderlijke vakwetenschap überhaupt niet adequaat aan de orde worden gesteld. Om tenslotte over de belangrijke reflectie op het verband tussen wetenschap, nut, zingeving en levensduiding maar te zwijgen. Deze vier onmisbare contemplatieve denkbewegingen kunnen daarom alleen door de filosofie als zijnde de ontologische, ieder objectgebied overstijgende, wetenschap voltrokken worden. Geen van de tot een specifiek deel van het zijnde beperkte ontische wetenschappen is hiertoe in staat.
De filosofie vormt zo een onmisbare vrije open plaats binnen de wereld van de wetenschappen. De blijvende noodzaak om de ontische domeinen van de positieve wetenschappen reflexief te overstijgen en zo op ontologisch niveau na te denken over het zijnsgeheel en de plaats van alle wetenschappen daarbinnen geeft de filosofie haar bestaansrecht en maakt haar zelfs a priori noodzakelijk. De filosofie is weliswaar niet het allesomvattende denken, maar zij vormt de onmisbare vrije open ruimte binnen de sfeer van de wetenschap. Zij is als het ware het beginsel van beweging van het lichaam van de positieve vakwetenschappen. De positieve vakwetenschappen zonder wijsbegeerte is dan ook als een lichaam zonder geest. Zonder de filosofie zou de ziel uit het magisterium van de wetenschappen verdwijnen. Wetenschap zou een rijk zonder zelfbewustzijn zijn.
Voor hen die nog willen wijzen op de eerste genoemde bedreiging voor de filosofie kunnen we nu dan ook kort zijn. De filosofie verschilt niet accidenteel, maar wezenlijk van de positieve wetenschappen. Het gebouw der ontische vakwetenschappen vereist noodzakelijk een vrije ontologische ruimte waarbinnen contemplatieve reflectie op het geheel kan plaatsvinden. Deze open plaats kan alléén aan de filosofie toekomen. Precies dit essentiële verschil tussen haar en de positieve vakwetenschappen is de oorzaak van de principiële onmogelijkheid van haar verdwijning. De claim dat de wijsbegeerte niet kan verdwijnen is dus zelfs ‘analytisch’. Zij is correct louter op basis van de betekenis van de in deze claim voorkomende termen. Er is dus geen reden voor filosofen om zich druk te maken over het op termijn verdwijnen van hun discipline.
Gepost: oktober 24th, 2009 onder Zonder categorie door G.J.E. Rutten.
Comments: 12
Comments
Comment from Martine Heikens
Time: 24/10/2009, 23:38
“Zo beschouwd is het dus juist een teken van succes dat de filosofie nog altijd in staat is om de positieve wetenschappen van nieuwe objecten en vragen te voorzien.”
Ik denk dat dit een illusie is. De positieve wetenschappen voorziet zelf in haar objecten en vragen door te kijken naar wat praktisch nodig is. De wetenschap wordt gedreven door technische vooruitgang en het realiseren van praktisch resultaat. Daar komt geen filosofie aan te pas. De filosofie verschilt weliswaar van de wetenschappen, maar er bestaat geen enkele interactie tussen de wetenschap en de filosofie. Filosofen willen wel graag dat de wetenschap hen om raad vraagt, maar ze doen het nooit. Hoe je het ook brengt, de enige reden waarom filosofie nog steeds een studie is aan de universiteiten, is omdat het van oudsher een studie is die bij het curriculum hoort en het afschaffen ervan gepaard gaat met afscheidspijnen.
Comment from Martine Heikens
Time: 24/10/2009, 23:39
“Zo beschouwd is het dus juist een teken van succes dat de filosofie nog altijd in staat is om de positieve wetenschappen van nieuwe objecten en vragen te voorzien.”
Ik denk dat dit een illusie is. De positieve wetenschappen voorziet zelf in haar objecten en vragen door te kijken naar wat praktisch nodig is. De wetenschap wordt gedreven door technische vooruitgang en het realiseren van praktisch resultaat. Daar komt geen filosofie aan te pas. De filosofie verschilt weliswaar van de wetenschappen, maar er bestaat geen enkele interactie tussen de wetenschap en de filosofie. Filosofen willen wel graag dat de wetenschap hen om raad vraagt, maar ze doen het nooit. Hoe je het ook brengt, de enige reden waarom filosofie nog steeds een studie is aan de universiteiten, is omdat het van oudsher een studie is die bij het curriculum hoort en het afschaffen ervan gepaard gaat met afscheidspijnen.
Ik denk dat filosofen zich juist wel druk moeten maken en zich moeten beraden op wat te doen in een wereld die technisch en economische aangestuurd wordt.
Comment from monadische nomaad - afwezige aanwezige
Time: 25/10/2009, 23:45
Het is bijna niet meer zichtbaar dat de hele technische en economische expansie slechts door de filosofie heeft kunnen floreren.
Wie een pleidooi wil houden voor een wetenschappelijk bestel zonder filosofische ziet het misschien net iets te veel door een roze bril. Er is hele slechte wetenschap dezer dagen. We staan op het punt dat kapitaal -en de belangen van diegenen die het kapitaal in bezit hebben- mee begint te spelen in wat er objectief en wetenschappelijk wordt aangenomen.
Een wereld die daar een vrijgeleide voor krijgt is echt niet wenselijk.
Comment from Martine Heikens
Time: 26/10/2009, 15:36
Dat de wetenschap is opgekomen vanuit de filosofie is geen argument tegen het feit dat de wetenschap vandaag de dag nog schatplichtig is aan de filosofie. Als de wetenschap de filosofie echt nodig heeft, waarom zijn er dan zo weinig filosofen? En waarom hebben faculteiten filosofie het zo moeilijk in deze tijd?
Dat het niet wenselijk is om filosofie op te geven is iets anders dan dat de wetenschap haar nodig heeft.
Comment from monadische nomaad - afwezige aanwezige
Time: 26/10/2009, 16:21
Het is echt niet zo onschuldig dat de wetenschap een vrijgeleide wil krijgen. Ik spreek hierbij niet over wetenschap in het algemeen, maar sommige disciplines weigeren zich pertinent vragen te stellen. De grote motor van het gebeuren is het kapitaal. We krijgen te maken met een wetenschappelijke wereld die verweven raakt met de kapitaalvoorziening. Resultaten van kritische studies worden weggelaten, onderzoek wordt door middel van de geldschieters - bedrijven die belang hebben bij een positief productimago - in een richting geduwd. De vraag is vanuit het management; onderzoek eens wat de positieve effecten zijn van product A. Denk jij dan echt dat iemand vanuit het management zal vragen; onderzoek nu een keer wat voor schadelijke effecten (een ethische vraag) dit zou kunnen hebben voor de mensen waarin ik dit product zal verkopen? Winstmarge, verkoopscijfers, productimago en marktleider zijn is waar het om te doen is.
Mag ik uit jouw redenering afleiden dat omwille van het feit dat er weinig filosofen zijn de wetenschap geen nood meer heeft aan de filosofie?
Maar om de discussie niet uit de weg te gaan. kan je me een voorbeeld geven waarin de filosofie de wetenschap in de weg ligt? Jouw eerste argument is een standpunt, geen wetenschappelijk argument. Laat ons daarin alvast overeenkomen.
Comment from Martine Heikens
Time: 26/10/2009, 18:25
Ik ben het met je eens dat een wereld waarin de techniek en wetenschap universeel geworden zijn een wereld is die nihilistisch is. In zo’n wereld is er geen ruimte meer voor filosofie. Nietzsche noemde daarom het nihilisme de ‘unheimlichste aller Gäste”. Ik ben inderdaad van mening dat de wetenschap de filosofie helemaal niet nodig heeft. Neem een psychologisch onderzoek. De psychologie doet onderzoek naar gedrag van mensen. Zo je wil de psyche van mensen. Je kunt nu zeggen: daar heeft ze filosofie voor nodig, want wat is bewustzijn eigenlijk? Je kunt dan Sartre gaan lezen of Husserl. Doet een psycholoog dat? Nee natuurlijk niet! De psycholoog denkt zelfs dat dat pseudo-wetenschap is! Je moet onderzoeken doen met pet-scans en er een goede statistische analyse op los laten om te weten wat de psyche is.
Je geeft het antwoord al zelf: “Denk jij dan echt dat iemand vanuit het management zal vragen; onderzoek nu een keer wat voor schadelijke effecten (een ethische vraag) dit zou kunnen hebben voor de mensen waarin ik dit product zal verkopen? Winstmarge, verkoopscijfers, productimago en marktleider zijn is waar het om te doen is.”
Dan geef je toch zelf al aan dat de wetenschap de filosofie niet nodig heeft?
Of wil je beweren dat de wetenschap die het nu zonder filosofie doet niet succesvol is?
Ik denk dat dat filosofie zich niet moet vergelijken met wetenschap. Het staat er los van. Geen interactie is mogelijk tussen filosofie en wetenschap zonder dat de filosofie daardoor de slaaf wordt van de wetenschap en slechte filosofie wordt.
Comment from monadische nomaad - afwezige aanwezige
Time: 27/10/2009, 08:31
‘De’ psychologie of jouw psychologie? Kort: wetenschappelijke psychologie onderzoekt het gedrag van mensen onder gemanipuleerde en gecontroleerde omstandigheden naar analogie met grote broer fysica. Dit levert onderzoeksresultaten op die niet onzinnig zijn, doch met hun onderzoeksmethode samenhangen. Ze opent een perspectief op de menselijke psyche. In de praktijk botst ook zij op haar grenzen, want blijkt dat mensen in hun complexe samenlevingsverbanden niet onder gecontroleerde omstandigheden kunnen worden geplaatst - raar is dat, zou er iets mis zijn met de mens. De psychologie is een machtsmiddel van de staat om normaliteit af te dwingen. Natuurlijk financiert de staat daar geen onderzoek naar. Wat ook blijkt is dat bijvoorbeeld de zwaartekracht nogal stabiel is en menselijk gedrag onderhevig is aan meerdere factoren. Bijna elk resultaat uit de wetenschappelijke psychologie komt wanneer de studie ten einde is terecht in een wereld die al verandert is.
jouw vragen:
Ik suggereerde natuurlijk dat omwille van het feit dat op grote schaal fraude en bedrog wordt gepleegd binnen de wetenschap er nood is aan filosofie. Het gaat er in wetenschappelijke eerlijkheid om dat je elke onderzoeksmethode moet kunnen laten vallen indien er zich betere aandienen. Hoe kan dat van binnenuit ontwikkeld worden?
Succes is geen argument; de leerschool uit andere tijden zegt ons dat de wetenschappelijke zekerheden van vandaag ons geleverd werden door mensen die aan het succes en carière zijn voorbijgegaan.
Mocht je een onderzoek doen naar paradigma’s in de wetenschap dan zou je een vlekkeloze chronologie en ook wetenschappelijke vooruitgang in vraag kunnen stellen. Iets waarvan zomaar aangenomen wordt dat die bestaat. Tot vervelens toe denkt men dat ‘nieuw’ gelijk staat aan ‘beter’.
Comment from G.J.E. Rutten
Time: 28/10/2009, 23:19
Graag geef ik een reactie op de tot dusver geplaatste opmerkingen. Heikens wijst er terecht op dat we filosofie niet uitsluitend moeten begrijpen vanuit haar verhouding tot de positieve vakwetenschappen. Dit zou inderdaad een te schrale duiding van de wijsbegeerte zijn. De filosofie is als wetenschap immers ook eigenstandig. Door bijvoorbeeld te reflecteren op het schone en het sublieme, door ideeën te ontwikkelen over het ethische, of door na te denken over de relatie tussen geloof en kennis, draagt zij autonoom bij aan het natuurlijke streven van de mens naar inzicht. Filosofie betreft precies daarom ideëenontwikkeling en begripsverheldering in brede zin, niet louter bezinning op de positieve vakwetenschappen en hun plaats in het zijnsgeheel. Het gaat in de filosofie inderdaad niet alleen om reflectie op wetenschap, maar om reflectie op het gegevene als zodanig.
Wetenschapsfilosofie is echter een niet onbelangrijk deel van de wijsbegeerte. Deze oriëntatie binnen de filosofie heeft bovendien zeker niet uitsluitend ’slechte filosofie’ opgeleverd.
In zijn commentaar spreekt de afwezige aanwezige over ‘de macht van de staat’ en ‘de invloed van het kapitaal’ op dat wat tegenwoordig als objectief wetenschappelijk wordt beschouwd. Deze neo-marxistische interpretatie is interessant omdat zij laat zien dat diegenen die menen dat de filosofie in haar bestaan wordt bedreigd zich voor wat betreft hun betoog niet hoeven te beperken tot het domein van de vrije markteconomieën. Men kan immers beweren dat in centraal geleide staatseconomieën de filosofie eveneens het slachtoffer dreigt te worden van een doorgeschoten onkritisch eendimensionaal nuttigheidsdenken.
Comment from monadische nomaad - afwezige aanwezige
Time: 29/10/2009, 09:55
Beste GJE
Ik ben het zowat onverdeeld met je eens. Alleen heb ik mezelf nog nooit als een neo-marxist gezien. Het marxisme heeft vandaag iets te veel ‘predicanten van de breuk’, utopiërs; er hangt een revolutionair geurtje aan om het zo te stellen. Ik denk dat ook uitgaande van de wereld zoals die vandaag bestaat rechtvaardigheid kan worden gezocht. Revoluties brengen oorlogen op de been en oorlog op zijn beurt veel schade aan mensen en hun samenlevingsverbanden.
Comment from Kweetal
Time: 02/11/2009, 19:39
Ik denk dat het grootste gevaar dat de filosofie bedreigt is dat ze zich inkeert tot zichzelf en afkeert van de wereld er omheen. Voor veel filosofen is de filosofie enkel nog een academische discipline die zich richt op het becommentariëren van andere filosofen. Dat uit zich in steeds esoterischere publicaties die voor iemand van buiten het vakgebied nog nauwelijks te lezen zijn. Maar als de filosofie het als haar taak beschouwt om commentaar te leveren op wat er gaande is in wetenschap, cultuur en samenleving dient zij zich van een taal te bedienen die tot die sectoren doordringt. Ook dit stuk is daar een uiting van. Het is een “preaching to the converted”, en het ontbeert duidelijke aanwijzingen die de buitenstaanders in die sectoren zich ter harte kunnen nemen.
Daarnaast wenden tegenwoordig vele filosofen zich tot de wetenschap, niet als onafhankelijk commentator, maar als deelnemer aan het onderzoek. In de philosophy of mind is er nauwelijks nog een onderscheid te onderkennen tussen de filosofische en de wetenschappelijke deelnemers. En mensen als Dennett beschouwen de bijdrage vanuit de filosofie als enkel een accentverschil met die vanuit de positieve wetenschappen. De analytische filosofie dreigt zo gaandeweg volledig te naturaliseren.
Los daarvan bezinnen sociologen, wiskundigen en andere wetenschapsbeoefenaren zich ook op hun eigen vakgebied en ontwikkelen ideeën over wat daarin mogelijk is en waar het naar toe zou moeten. Mensen als Schrödiger, Gödel en ook Einstein hebben zich diepgaand bezig gehouden met wat hun vak inhoudt en zou moeten inhouden en wat juiste en onjuiste methoden van theorievorming zijn. Dergelijke bijdragen hebben een veel grotere impact gehad op de ontwikkeling van de wetenschap dan die van de aan de zijlijn staande filosofen.
Comment from monadische nomaad - afwezige aanwezige
Time: 04/11/2009, 12:05
Mocht je de reflecties van Schrödinger, Gödel en Einstein erbij nemen zou je merken dat het niet gaat over ‘juiste’ en ‘onjuiste’ methodes. Dat is een anochronisme. Bovendien zijn dit 20e eeuwse wetenschappers die konden genieten van een voorafgaand secularistatieproces.
Waarom Riemann en Pioncaré erbuiten laten als wetenschappers? Poincaré toonde aan dat twee wetenschappelijke theorieën juist kunnen zijn, terwijl ze tegenstrijdige voorspellingen opleveren. Riemann toonde aan dat er oneindig veel meetkundes te bedenken zijn.
Je mag me als een medestander beschouwen wat betreft sommige academische filosofen. Wat je stelt over de taal die de filosofen hanteren is ook omgekeerd van toepassing. Ik ben wel degelijk op de hoogte van de meeste concepten die de wetenschappelijke disciplines hanteren. Het lijkt alleen moeilijker voor wetenschappers om zich een aantal abstractere concepten toe te eigenen. Meestal stoppen de reflecties van wetenschappers - en ja ik heb al actief deelgenomen aan zulke seminaries dus mijn beschouwingen reiken verder dan de zijlijn - bij een aantal common sense patronen. De meeste wetenschappen beschouwen zichzelf als deductief of inductief maar zijn eigenlijk abductief.
Niet alle filosofen beperken zich tot commentaar of keren zich in zichzelf. Ik ken er bovendien weinig die vijandig staan tegenover goede wetenschap. Vanwaar die irritatie tegenover de filosofie?
Comment from Kweetal
Time: 04/11/2009, 13:47
@monadische nomaad - afwezige aanwezige: Tja, zodra je bepaalde voorbeelden noemt kun je commentaar verwachten dat vraagt waarom je niet andere noemt. Zo kan ik jou weer vragen waarom je het dan niet hebt over Duhem, om nog maar eens iemand te noemen. Maar misschien is het inderdaad beter om de kwalificatie ‘acceptabel’ te gebruiken, in plaats van ‘juist’ voor methoden van theorievorming.
Toch zijn de echte vernieuwingen in het wetenschappelijke denken van de twintigste eeuw, inclusief het afzien van de determinisme van Laplace, afkomstig van onderzoekers zelf, en niet van commentariërende filosofen. En soms hebben filosofen zich zelfs gediskwalificeerd als commentator van de wetenschap, zoals (alweer een wetenschapper) Sokal heeft laten zien.
Nee, niet alle filosofen beperken zich tot commentaar of keren zich in zichzelf. Maar hun invloed op de publieke opinie neemt zienderogen af. En ik denk dat dat niet uitsluitend aan die publieke opinie ligt.
Schrijf een opmerking