Hoe dom zijn wij?
De grootste veroorzaker van de problemen waar wij als mensheid mee worstelen zijn we zelf. We storten ons in wereldoorlogen, we bedreigen ons eigen voortbestaan door atoombommen, door vervuiling en door uitputting van de grondstoffen die we niet kunnen missen voor het in stand houden van onze manier van samenleven. De laatste drie generaties hebben telkens het risico gelopen de laatste te zijn die in redelijke welstand kon leven, en iedere keer was tot het laatst niet te voorzien dat het niet verkeerd zou aflopen. Iedere keer zijn er mensen geweest die waarschuwden voor de gevaren die de mensheid bedreigden, en iedere keer waren er ook mensen die die gevaren alleen maar groter maakten.
Zijn wij nou te dom om te overleven? Dat is de cruciale vraag die de mensheid zich nu moet stellen. Maar hoe moet je die beantwoorden? Er zijn briljante mensen en enorme stommerds. Er zijn mensen die zo intelligent zijn dat de rest van de mensheid ze niet kan volgen en er zijn mensen die zo onintelligent zijn dat de rest van de mensheid ze ook niet kan volgen. Hoe bepaal je dan hoe slim de mensheid is? Je zou de mensheid als een enkel organisme kunnen opvatten dat zich over de hele aarde heeft verspreid en het vermogen heeft ontwikkeld het aanzien van die aarde te veranderen. Dan zou je kunnen proberen de intelligentie van dat organisme te bepalen aan de hand van wat het met zijn leefomgeving doet. Als dat organisme zijn eigen voortbestaan onmogelijk maakt is het kennelijk niet goed aangepast, of anders gezegd: te dom om te overleven.
Zoals het er nu naar uit ziet gaat het de verkeerde kant op. We zijn verslaafd geraakt aan energie. Energie uit fossiele brandstoffen. Gigantische hoeveelheden koolstof die gedurende miljoenen jaren ongestoord in de aarde heeft gerust zijn we nu in een ijltempo aan het verbranden. Daardoor neemt het aandeel van de broeikasgassen in de atmosfeer toe. En daardoor stijgt de temperatuur op aarde, met vaak onvoorzienbare gevolgen. Feit is dat er in steeds hoger tempo allerlei veranderingen plaats vinden, zoals het smelten van het poolijs en de gletsjers op aarde. Weerpatronen veranderen en plant- en diersoorten sterven uit. Het kan niet anders dan dat we onszelf zo in de problemen brengen. Maar dat wordt door velen ontkend. Uit angst voor maatregelen die hen dwingen hun auto te laten staan en hun vleesverbruik te verminderen bestrijden ze iedereen die waarschuwt voor klimaatproblemen en verlies van biodiversiteit.
Maar uiteindelijk verdwijnen de problemen waar we zo mee worstelen vanzelf. Over honderd jaar maakt niemand zich meer druk over klimaatverandering, vervuiling van water en lucht of verlies van plant- en diersoorten. Als de problemen van nu dan zijn opgelost, dan komt dat doordat de mensen veranderd zijn. De mensen van over honderd jaar zijn dan niet meer mensen zoals u en ik. Ze zijn dan niet meer verslaafd aan energie, minerale grondstoffen en voortdurende vernieuwing, zoals wij. Ze beschouwen zich niet meer als consumenten en hebben misschien zelfs geen persoonlijke bezittingen meer. En ze produceren geen onbruikbaar afval.
Het kan ook zijn dat de problemen waar wij nu mee worstelen dan niet zijn opgelost, maar ook in dat geval zijn het geen problemen meer. De mensen die er dan nog zijn hebben heel andere zorgen, namelijk of ze de dag van morgen nog wel zullen halen. Hun bijdrage aan het CO2- gehalte van de atmosfeer en de teloorgang van plant- en diersoorten is dan miniem, omdat ze nog maar met zo weinigen zijn. Hoe dan ook, de aarde zal geen last meer van ons hebben, als ze dat al gehad heeft. Ze heeft zich wel vaker hersteld van een rampzalig verlies van biodiversiteit. Het is enkel een kwestie van tijd. En tijd heeft zij genoeg.
Als de menselijke beschaving voortbestaat hebben de mensen hun intelligentie bewezen. Ze hebben niet alleen de problemen geconstateerd, maar ook verholpen. Daarmee hebben ze de dreigende ondergang van hun beschaving afgewend en er zo voor gezorgd dat ze voor enige tijd in redelijke welstand kunnen blijven leven. En anders hebben ze laten zien dat hun intelligentie niet toereikend was voor de rol die zij zichzelf hebben toegekend. Ze hebben geen aandacht besteed aan alarmerende signalen, en de raad van verstandige mensen in de wind geslagen. Ze zijn dan te dom gebleken voor de status die ze zichzelf hebben toegekend, te dom om waar te maken wat ze zichzelf hebben beloofd. Als gevolg daarvan zijn ze door de evolutie op hun plaats gezet. Hun aantal is sterk verminderd en hun status is gereduceerd tot die van de een of andere exotische diersoort met een marginaal bestaan. Het wachten is dan op de evolutie van een nieuwe intelligente soort met het vermogen het aanzien van de aarde te beïnvloeden. Maar dan wel een met voldoende intelligentie om ook zijn eigen grenzen te kennen.
Hoe dom zijn wij? Om de mensheid als geheel een graad van intelligentie toe te kennen moet je kijken hoe de mensheid als geheel zich gedraagt, net zoals je de intelligentie van afzonderlijke individuen bepaalt door hun individuele gedrag te beoordelen. En net zoals het er bij intelligente personen niet toe doet welke hersendelen aan die intelligentie bijdragen doet het er bij de intelligentie van de totale mensheid niet toe of er intelligente mensen zijn met een juiste visie op het menselijk bestaan en dommeriken die ongevoelig zijn voor goede raad. Waar het om gaat is wat voor inzichten de mensheid als geheel ontwikkelt en wat ze er dan mee doet.
Gepost: december 8th, 2009 onder cultuurkritiek door Kweetal.
Comments: none
Schrijf een opmerking