Menu

Recente commentaren

RSS FilosofieFeed

Site doorzoeken

Archief

Categorieën

Populair

Links

Waar de wereld nooit genoeg van kreeg

De tekst ‘Experience’ uit 1844 van de negentiende-eeuwse schrijver, filosoof en dichter Ralph Waldo Emerson (1803–1882) begint als volgt:

‘Where do we find ourselves? In a series of which we do not know the extremes, and believe that it has none. We wake and find ourselves on a stair; there are stairs below us, which we seem to have ascended; there are stairs above us, many a one, which go upward and out of sight. But the Genius which, according to the old belief, stands at the door by which we enter, and gives us the lethe to drink, that we may tell no tales, mixed the cup too strongly, and we cannot shake off the lethargy now at noonday.’

De precieze richting van deze tekst blijft lange tijd onduidelijk. Er zou de aanzet tot een fenomenologische beschrijving in vermoed kunnen worden, ware het niet dat het met zijn grove lijnen de precisie mist waar een dergelijke studie om vraagt. Ook een literaire voorloop is mogelijk, met de levendige introductie die over de lezer heen golft alvorens de argumentatie begint. Maar niets van dat al. Met het lezen van het werk van Michel de Montaigne is Emerson geïnspireerd geraakt door het ‘moderne’ van het essay, en eigende hij zich, al experimenterend, voor zijn filosofische werk deze schrijfvorm toe (zie: Essays: First Series (1841) en Essays: Second Series (1844)). Bovenstaande – een van zijn bekendste opstellen – is zodoende niet slechts een prelude, maar geeft werkelijk de vorm en stijl aan waarin het werk bestaat.

Dit jaar verscheen, tegelijk met de openbaring ervan in eBook, de heruitgave van Emerson’s epistemology: The argument of the essays van David van Leer, tegenwoordig werkzaam als professor Engels aan UC Davis, Californië. Sinds 1986, toen dit boek voor het eerst gepubliceerd werd, zijn er weliswaar verschillende studies over Emersons filosofie geschreven, maar dit zijn veelal selectievere of vergelijkende werken, bijvoorbeeld naar Emersons opvatting van moreel perfectionisme of zijn invloed op Nietzsche. Waar het de epistemologie betreft – die voor de filosofie van Emerson bij tijd en wijle dusdanig centraal is geweest dat hij er ook zijn metafysica en ethiek door liet bepalen – is Van Leers publicatie echter nog steeds autoriteit.

De opzet van het boek is de volgende: in het voorwoord wordt de context van het ‘milde’ idealisme van het Amerika van midden negentiende eeuw uiteengezet. Daarna komen er zes hoofdstukken, die, steeds aan de hand van een centraal essay of werk van Emerson, thematisch bepaalde aspecten van zijn epistemologie neerzetten. Waar het eerste hoofdstuk – direct een uitzondering op deze karakterisering – vooral een legitimering geeft van Van Leers project (waarom alleen Emerson als filosoof, waarom slechts de essays? Was Emerson niet veel te oppervlakkig en te los met zijn bronnen om serieus in zijn grip op ideeën bestudeerd te worden?), daar gaan hoofdstuk twee en drie, rondom Emersons werk Nature (1836), over tot de echte materie.

In de essays in Nature, zo laat Van Leer zien, stelt Emerson zich de vraag naar de aard van de ervaring, en de wijze waarop de individuele geest (‘mind’, maar ook niet zelden ‘soul’) zich hiertoe verhoudt, een vraag die in verschillende vormen en varianten elders in zijn werk zal terugkeren. Als voorwaarden voor de mogelijkheid van ervaring, zo stelt Emerson, zijn essentieel: (1) zelfbewuste apperceptie die de representaties verenigt (unifies), en (2) de mogelijkheid van objectiviteit om het bewustzijn te stabiliseren. Het is dan de natuur, in de vorm van de mogelijkheid van externe objecten, die het onderscheid tussen verschijning (appearance) en realiteit, zoals men dat voor het bewustzijn aanhoudt, rechtvaardigt.

De Kantiaanse inslag straalt van Emersons antwoord af, en daarom is het des te opmerkelijker dat wordt betwist of hij Kant inderdaad gelezen heeft. Dat Emersons positie over de aard van ervaring echter allerminst een kopie is van het werk van Kant, blijkt wel in de laatste essays uit Nature. Deze gaan dieper in op de spirituele en morele ervaring, met speciale aandacht voor de plaats die religieuze activiteiten daarin hebben. Op deze en andere punten staat Emerson, zowel qua idealisme als wat betreft religieuze insteek (hoewel hij preken van de hand wijst als contraproductief, wereldlijk gebeuren), zelfs dichter bij Berkeley dan bij Kant.

De beoordeling van Emersons kentheoretische positie is incompleet zonder de bespreking van ‘Experience’, in het hoofdstuk ‘The limits of experience’. Waar Emerson in Nature de eerste stappen zette voor het begrijpen van kennis, en deze verder uitwerkte in volgende lezingen en essays, daar vormt ‘Experience’ als het ware het eindpunt – niet omdat hij hiermee een systeem vervolmaakte, maar omdat de filosoof hiermee tot het inzicht kwam dat zijn project enkel met een tautologie kon worden rondgekregen. Eerder stelde Emerson dat de mogelijkheid van objectiviteit in de ervaring de begrenzing van het zelf is. Hier, in antwoord op de vraag hoe het is om als een empirisch zelf te bestaan in een wereld, constateert hij dat het zelf de begrenzing moet vormen van de ervaring. Het is dan ook in het laatste hoofdstuk, getiteld ‘After experience’, dat duidelijk wordt dat, hoewel hij zich in heel zijn schrijven altijd voor verschillende onderwerpen interesseerde, Emerson zich nadien niet meer met epistemologie heeft beziggehouden.

De kracht van Van Leers bespreking van Emersons epistemologie, en tevens de eigenschap waar dit boek zijn academische positie aan te danken heeft, is zijn historisch geïnformeerde, nauwkeurige en geduldige uiteenzetting. Dat het zich tevens systematisch zo sterk toont is lovenswaardig, aangezien Van Leer niet primair een filosofische achtergrond heeft, maar vooral publiceerde in cultuurstudies en over de intellectuele geschiedenis van Amerika. De enige (kleine) keerzijde is dat zijn nauwgezetheid soms welhaast een filologische benadering blijkt, stapsgewijs door de argumentatie, waardoor de vaart er soms een beetje uitraakt. Maar voor de secundaire literatuur die het is, zouden wij het eigenlijk anders willen? Emerson’s epistemology is relevant omdat het de ideeën uit Emersons essays – naar behoren – op hun eigen merites beoordeelt, waardoor het een beter inzicht biedt in diens epistemologie, die een brug probeert te vinden tussen transcendentaal idealisme en empirisch realisme.

De anekdote wil dat Van Leer zijn vrienden eens hoorde toosten, dat ‘the world can never have enough idealism’. Al zou de uitdaging van het idealisme maar in een fractie van de gevallen een zo oprechte en gepassioneerde exercitie opleveren als ze bij Emerson deed, dan moet die toast (bij dezen!) van harte onderschreven worden.

David van Leer (2009) Emerson’s epistemology: The argument of the essays. Cambridge: Cambridge University Press, 282 p., € 21,99.

Door Chrissy Meijns

Deze recensie verscheen eerder in Cimedart.

Schrijf een opmerking