De ziel
We ademen, we drinken, we eten. We nemen waar en we handelen. We leven. We bestaan in een uitwisseling met onze omgeving. We passen ons aan, richten ons naar wat we in de wereld gewaar worden. We gebruiken elementen ervan om onszelf in stand te houden, en we bewerkstelligen veranderingen in de wereld om die beter aan ons aan te passen. We handelen vanuit een uitwendig perspectief, een beeld van de wereld dat ons helpt ermee om te gaan. We erkennen dat die wereld onafhankelijk van ons bestaat, maar dat we er wel op kunnen ingrijpen. En we gaan ervan uit dat de wereld de wereld blijft, ook als we er zelf niet meer zijn.
Maar we hebben ook een inwendig perspectief. We nemen waar dat we waarnemen. We weten wat we weten. We ondergaan emoties, verlangens of gevoelens van afschuw, en we kunnen daarover vertellen. We ervaren een wil die ons drijft. Ons handelen is niet enkel reageren, maar ook een respons op motivaties, op innerlijke driften. We kunnen ons andere werelden voor de geest halen. We gaan niet uitsluitend uit van een wereld zoals die is, maar ook van een wereld zoals die zou kunnen zijn, van een wereld zoals we hem zouden wensen. En we richten ons handelen daar op.
Het uitwendige perspectief delen we met de dieren. Die moeten zich net als ons zien te handhaven in een wereld die geen eigen maaksel is. Die moeten ook reageren op wat zich aandient en zich schikken in wat er is. Maar hebben die dieren ook een innerlijk perspectief? Kennen ze ook wensen en verlangens, ondergaan ze ook gevoelens van liefde en afschuw? We kunnen het niet nagaan, en de reacties van dieren op hun omgeving zijn vaak heel anders dan de onze. Misschien zijn die dieren enkel responsmachientjes die mechanisch reageren op wat ze waarnemen. Maar wij zijn dat niet. Voor ons heeft het bestaan een betekenis. Er is voor ons iets wat het is om te zijn, iets dat we in woorden kunnen uitdrukken, waar we met andere mensen over kunnen praten.
En als er zo’n innerlijk perspectief is dan moet er ook iets zijn waarvoor dat een perspectief is. Dat beeld van onszelf moet iemands beeld zijn, moet de inhoud zijn van een voorstellingsvermogen, en bij een vermogen hoort iets dat dat vermogen bezit. Als er een lichaam is dat reageert op de wereld om ons heen dan moet er ook iets zijn dat regeert op de wereld in ons. Dat is de ziel. Het lichaam is de beheerder van het uiterlijke perspectief en de ziel is de beheerder van het innerlijke perspectief. Het is de ziel die weet wat het voor ons is om te zijn. Het is de ziel waaruit onze wensen en verlangens, onze liefde en onze afschuw ontspruiten.
Maar als zich de ziel onderscheidt van het lichaam, heeft die dan ook niet een eigen bestaansmodus? Een eigen cyclus van ontstaan en vergaan, een eigen domein om zich in op te houden? Het is zeker zo dat we ons innerlijk op een andere manier ondergaan dan dat wat zich buiten ons voltrekt. Het is ook zo dat we van anderen wel kunnen zien wat ze doen, maar niet wat ze denken en voelen. We weten van onszelf hoe het is om er te zijn, maar niet hoe het is om er niet te zijn. Niet zijn is onvoorstelbaar, het is niet toegankelijk voor ons voorstellingsvermogen, dus het past niet in onze innerlijke wereld. In het domein waarin de ziel verkeert is er geen ontstaan en vergaan. Dat is iets dat we alleen buiten ons waarnemen en dat dus behoort tot het domein van de buitenwereld.
Het domein van de ziel is alleen toegankelijk voor ons voorstellingsvermogen. Van buitenaf kun je er niet in. Dat maakt het bijvoorbeeld ontoegankelijk voor de wetenschap, want de wetenschap richt zich op de wereld van het waarneembare. Als twee wetenschappers zich bezig houden met een onderwerp zien ze het zelfde. Discussie ontstaat er alleen over hoe ze dat wat ze zien een betekenis kunnen geven. Mijn ziel is voor een ander niet te zien, en de constellatie ervan kan dus ook geen onderwerp van discussie zijn. Wat ik daarover zeg kan een ander aanspreken of niet, maar hij kan het niet verifiëren. Het verhaal van mijn ziel kan stof zijn voor een kunstwerk, maar niet voor een wetenschappelijke studie. Hooguit als een verhaal, maar niet als als beschrijving van een object.
Hebben mensen een ziel? Ja, voor zover ze die willen hebben. Ja, voor zover ze die nodig hebben om hun eigen bestaan een betekenis te geven. Ja, voor zover ze literair uitdrukking willen geven aan hun gevoelsleven. Maar niet voor zover ze die nodig hebben om het gedrag van anderen te beschrijven. Niet als een objectief, wetenschappelijk gegeven. Een ziel is wat de gelovige het wil laten zijn. En de ziel zal voortbestaan in de mate waarin men dat wenst. Het is het geloof dat de ziel betekenis geeft. Als je gelooft leef je naar dat geloof. Je geloof bepaalt je manier van leven en je manier van sterven. En in die zin heeft de ziel een bestaan. De ziel is zo reëel als je hem maakt met je manier van leven. Dat houdt in dat hij bestaat voor wie hem nodig heeft en niet voor wie er zonder kan. De ziel is wat je hem wilt laten zijn. En meer valt daarover niet te zeggen.
Gepost: december 20th, 2009 onder Literatuur, Existentialisme, Metafysica door Kweetal.
Comments: 14
Comments
Comment from G.J.E. Rutten
Time: 21/12/2009, 18:09
Beste Kweetal, bedoel je met ‘ziel’ de menselijke geest ofwel het menselijk bewustzijn? Zo ja, dan gaat je claim dat “de ziel bestaat voor wie hem nodig heeft en niet voor wie zonder kan” wel heel erg ver. Deze claim zou er dan immers op neerkomen dat het menselijk bewustzijn niet bestaat voor die mensen die zonder een menselijk bewustzijn denken te kunnen.
Of bedoel je wellicht met ‘ziel’ iets anders dan het menselijk bewustzijn? Jouw uitspraak dat “de ziel reageert op de wereld in ons” en dat de ziel “de beheerder is van het innerlijke perspectief” lijkt dit inderdaad te suggereren. Zo ja, dan ben ik benieuwd waaruit volgens jou het verschil tussen enerzijds de ziel en anderzijds de menselijke geest ofwel het menselijk bewustzijn precies bestaat. Is het postuleren van een menselijk bewustzijn niet reeds voldoende voor het verklaren van onze innerlijke qualia?
Zelf ben ik overigens van mening dat het menselijk bewustzijn werkelijk bestaat en bovendien niet restloos gereduceerd kan worden tot één of meerdere van de gangbare natuurwetenschappelijke categorieën (zoals ondermeer materie, ruimte, tijd, energie en krachtvelden). Voor deze dualistische positie zijn volgens mij goede argumenten te geven. Het werk van de hedendaagse filosoof David Chalmers is hiervan een aardig voorbeeld. Groet, G.J.E. Rutten
Comment from Kweetal
Time: 21/12/2009, 21:57
Wat is “bewustzijn” anders dan een woord voor bepaalde hersenfuncties? Uit jouw reactie wordt me niet duidelijk wat jij er onder verstaat. Zijn voor jou ‘ziel’ en ‘bewustzijn’ gescheiden zaken? En verkeren ze in verschillende domeinen? Als dualist ga je er van uit dat de ziel in andere regionen verkeert dan het lichaam. Geldt dat dan ook voor het bewustzijn? En wat is het onderscheid tussen ziel en geest? Als het res cogitans en het res extensa zo strikt gescheiden zijn als Descartes het opvatte hebben de geest en het lichaam ook verschillende levenscycli, zoals ik in mijn stukje ook al aangeef. De ziel zou dan bijvoorbeeld kunnen reïncarneren in een ander lichaam. Maar geldt dat ook voor het bewustzijn? De meeste mensen zijn zich niet bewust van vorige levens.
Ik, als materialist, heb niet zoveel met zulke gescheiden domeinen. Maar ik maak wel een onderscheid tussen bewustzijn en geest (of ziel). De geest omvat het bewustzijn, maar ook de emoties en de intuïtie. ‘Bewustzijn’ en ‘geest’ zijn voor mij niet meer dan aanduidingen voor bepaalde activiteiten van ons brein. Ik ben het wel met je eens dat je het bewustzijn nodig hebt voor de qualia. Maar daarvoor is het niet nodig om het bewustzijn een eigen domein toe te kennen. Het is enkel een zaak van innerlijk perspectief, zoals ik schreef.
Comment from G.J.E. Rutten
Time: 22/12/2009, 10:07
Hoi Kweetal, mijn voorkeur heeft het om ziel, bewustzijn en geest aan elkaar gelijk te schakelen. In de angelsaksische (analytische) traditie wordt meestal het begrip ‘mind’ gehanteerd. De ‘mind’ is de locus van al onze mentale vermogens, zoals de wil, het denken, de zintuiglijke ervaring, het gevoelsleven, het voorstellingsvermogen, de intuïtie en de neigingen of aandoeningen.
Als dualist meen ik inderdaad dat ‘mind’ en ‘matter’ ontologisch autonome categorieën zijn die niet tot elkaar gereduceerd kunnen worden. Hiervoor zijn in de traditie natuurlijk enorm veel argumenten gegeven. Een wellicht aardig argument betreft dat van Antoine Arnauld. Zijn argument zal ik hieronder ter illustratie kort weergeven.
Stel dat het materialisme correct is. In dat geval ben ik ontologisch identiek ofwel metafysisch gelijk aan mijn materiële lichaam (merk op: hersenen zijn deel van het lichaam). Ik bén dus eenvoudigweg mijn lichaam, zodat we kunnen zeggen ‘Ik = Mijn lichaam’. De eigenschappen die ‘Ik’ bezit moeten dus exact overeenkomen met de eigenschappen die ‘Mijn lichaam’ bezit. Nu heb ‘Ik’ de eigenschap dat ik op dit moment niet consistent kan denken dat ik er niet ben. ‘Mijn lichaam’ heeft deze eigenschap niet. Ik kan immers op dit moment consistent denken dat mijn lichaam er niet is (neem bijvoorbeeld de ‘brain in a vat’ of ‘evil daemon’ hypothese). We vinden dus een tegenspraak. Ik kan dus niet restloos samenvallen met mijn materiële lichaam. Ik moet dus meer zijn dan mijn lichaam. Hieruit volgt dat het materialisme incorrect is.
Naast Arnauld hebben bijvoorbeeld ook Leibniz en J.R. Lucas interessante argumenten voor het dualisme uitgewerkt. Groet, G.J.E. Rutten
Comment from Kweetal
Time: 22/12/2009, 11:01
Ziel = bewustzijn = geest? Bewustzijn is dat waarvan je je bewust bent, zoals het woord al zegt. Maar er zijn ook veel mentale processen waarvan je je niet bewust bent. Processen die emoties en intuïtieve inzichten voortbrengen. Waar moet ik die onder scharen?
Ik denk niet dat ik ontologisch identiek ben met mijn lichaam. Mocht ik ooit een been verliezen, dan is mijn lichaam behoorlijk gereduceerd, maar mijn ik is daardoor niet aangetast. Verminking van mijn hersenen zou wel tot een verandering in mijn persoonlijkheid kunnen leiden. Maar ik zou ook mijn hersenen niet willen gelijkstellen met mijn ik. Het is eerder het verschil tussen hardware en software. Mijn ik maakt deel uit van mijn bewustzijnsinhoud. En die wordt uiteraard beïnvloed door veranderingen in de hersen-hardware. Overigens kan ik wel het feit onder ogen zien dat mijn lichaam (inclusief mijn hersenen) er niet meer zou zijn. Mijn ik zou dan ook hebben opgehouden te bestaan. Misschien dat dat in de toekomst niet meer zo zou hoeven te zijn, als mijn software dan naar een ander medium kan worden overgebracht. Maar ook dan is er geen sprake van verschillende rijken in de zin van Descartes.
Het dualisme bedient zich van overbodige categorieën. Het hanteert concepten die gemist kunnen worden voor het begrijpen van wat ons overkomt. En dan moet je het volgens Ockham verwerpen. Volgens Gilbert Ryle is er sprake van een categoriefout als je het hebt over de geest als een autonoom object. Het is een reïficatie van een aspect van ons mens zijn, het tot een afzonderlijk object verklaren van iets dat hooguit een eigenschap is.
Comment from Martine Heikens
Time: 22/12/2009, 15:09
Kweetal, ik vind dit een mooi artikel.
Comment from G.J.E. Rutten
Time: 22/12/2009, 15:58
Beste Kweetal, bedankt voor je reactie. De menselijke geest (’mind’) betreft dat deel van ons dat zich bewust is, qualia ervaart, voelt, denkt en intentionaliteit bezit. Hoe zou een materiële structuur bewust kunnen zijn, qualia kunnen ervaren, kunnen voelen, kunnen denken en intentioneel op iets buiten haar betrokken kunnen zijn?
Als dualist heb ik er geen probleem mee om te veronderstellen dat onbewuste informatieopslag en informatieverwerking zich buiten de menselijke geest voltrekt. In de analytische wijsbegeerte wordt bijvoorbeeld vaak een onderscheid gemaakt tussen ‘occurent beliefs’ en ‘dispositional beliefs’. Zelf ben ik van mening dat occurent beliefs (e.g. het je nu op dit moment bewust realiseren dat je deze reactie leest) alléén te verklaren zijn met een beroep op de menselijke geest als locus van dergelijke bewuste innerlijke voorstellingen. Dispositional beliefs (e.g. je zojuist nog onbewuste overtuiging dat Parijs de hoofdstad van Frankrijk is) hoeven echter niet in de menselijke geest te bestaan. Dit soort onbewuste disposities kunnen best als materiële structuur buiten onze geest gerealiseerd zijn (bijvoorbeeld door bepaalde neurale netwerken in onze hersenen) en bovendien benaderbaar zijn door de menselijke geest zodra dit op een zeker moment nodig is.
Jouw metafysische positie lijkt overigens (gelet op jouw uitspraken over hardware en software) overeen te komen met het functionalisme in plaats van met het klassieke ‘mind-matter identity’-materialisme. Volgens het klassieke ‘mind-matter identity’-materialisme zijn mentale toestanden identiek aan materiële toestanden. Volgens het functionalisme is een mentale toestand daarentegen identiek met een ’structuur’ of ‘functie’ die door verschillende materiële toestanden gerealiseerd kan worden. Het functionalisme komt dichter in de buurt van het dualisme dan het klassieke ‘mind-matter identity’-materialisme. Het functionalisme neemt immers naast het bestaan van materie ook het bestaan aan van functies of structuren. Deze functies of structuren zijn zelf niet materieel. Er bestaat volgens het functionalisme dus niet alleen maar materie.
Het argument van Antoine Arnauld betreft uiteraard géén argument tegen het functionalisme. Zijn argument is gericht tegen het klassieke ‘mind-matter identity’-materialisme. Er zijn naar mijn mening goede argumenten tegen het functionalisme in de hierboven beschreven zin te geven. Kan zoals gezegd een materiële structuur iets voelen of denken, zich van iets bewust zijn, qualia ervaren of intentioneel betrokken zijn op iets anders? Deze kwalitatieve intentionele bewuste ervaringen zijn op zichzelf genomen toch ook iets dat bestaat naast materie en naast in materie gerealiseerde structuren? Een in materie gerealiseerde functie hoeft op zichzelf genomen immers geen enkele innerlijke ervaring te hebben. Functies voltrekken zich eenvoudigweg. Niets wijst erop dat dit voltrekken met een innerlijke mentale ervaring gepaard zou moeten gaan. Een beroep of functies of structuren is alléén zinvol indien het gaat om het verklaren en eventueel voorspellen van uiterlijk waarneembaar gedrag, niet om de herkomst en de aard van onze innerlijke intentionele bewuste kwalitatieve ervaringen te begrijpen. De filosoof David Chalmers spreekt in dit verband over het ‘hard problem of consciousness’. Zijn werk bevat in detail uitgewerkte argumenten tegen het hierboven omschreven functionalisme. Groet, G.J.E. Rutten.
Comment from Kweetal
Time: 22/12/2009, 19:40
“Hoe zou een materiële structuur bewust kunnen zijn, qualia kunnen ervaren, kunnen voelen, kunnen denken en intentioneel op iets buiten haar betrokken kunnen zijn?” Ik zou zeggen: kijk eens voor je. Is een computer niet een materiële structuur die intentioneel op iets buiten zichzelf betrokken is? En wat dat “bewust zijn, qualia kunnen ervaren, kunnen voelen, kunnen denken”, dat is iets dat wij alleen kunnen zeggen vanuit ons innerlijke perspectief. We kunnen niet het innerlijke perspectief van een computer ervaren, maar dat betekent nog niet dat we kunnen zeggen dat hij dat niet kan hebben. Waarom zou een mens iets anders moeten zijn dan een machine? is wat Julien Offray de la Mettrie zich al een eeuw na Descartes afvroeg. En hij was arts en wist dus hoe mensen in elkaar steken. “Ik voel het zo” is in de filosofie en in de wetenschap geen sterk argument.
Ik beschouw me inderdaad als een functionalist. Ik ga er van uit dat bewustzijn in verschillende soorten organismen (en mechanismen) kan optreden en zich op verschillende manieren kan voltrekken. Maar functionalisme is niet strijdig met materialisme, in tegendeel. Als je denkt dat volgens het materialisme alles wat je kunt beschrijven tastbaar moet zijn, heb je een verkeerd beeld van het materialisme. Natuurwetten zijn zelf ook niet tastbaar, maar ze bepalen wel hoe de materie zich gedraagt. Wou je computerprogramma’s soms in een geestelijk rijk plaatsen?
We kunnen alleen van innerlijke ervaringen spreken voor zover we ze zelf ondergaan. Strikt genomen kun je van andere mensen niet bepalen of ze innerlijke ervaringen kennen. Je neemt dat enkel maar aan omdat ze zo op jou lijken. Het toeschrijven van zulke ervaringen, zoals jij doet, is echter puur subjectief. Hoe zou je moeten vaststellen of functionele verbanden wel of niet worden bepaald door zulke ervaringen? Het enige waar je van uit kunt gaan is uitwendig waarneembaar gedrag. En zelfs als je de processen in iemands hersenen gedetailleerd zou kunnen volgen bekijk je de zaak nog alleen maar van de buitenkant. Je kunt daaruit niet bepalen hoe een persoon zelf dat wat er in zijn hoofd omgaat ervaart.
Als je denkt dat het materialisme een onhoudbaar standpunt is, lees er eens Daniel Dennetts “Consciousness Explained” op na.
Comment from G.J.E. Rutten
Time: 22/12/2009, 21:22
Beste Kweetal, het is zeker zo dat ik op basis van mijn eigen subjectieve innerlijke ervaringen beweer dat andere mensen eveneens innerlijke subjectieve ervaringen hebben. Het verwerpen van dit soort gevolgtrekkingen als zijnde ‘onwetenschappelijk’ of ‘onfilosofisch’ leidt tot een vorm van scepticisme waarvan ik mij verre wil houden.
Wanneer ik spreek over materialisme, dan heb ik het over materie in brede zin (e.g. deeltjes, energie, krachtvelden, etc.). Nergens stel ik dat volgens de materialist “alles tastbaar moet zijn”. Evenmin beweer ik dat materialisme strijdig is met functionalisme. Mijn claim was dat het klassieke ‘mind-matter identity’-materialisme in strijd is met het functionalisme.
Computerprogramma’s zijn (net zoals bijvoorbeeld literaire verhalen of wetenschappelijke theorieën) oorspronkelijk ontstaan als mentaal idee en vervolgens gesedimenteerd in materiële structuren. De oorsprong van software is dus weldegelijk mentaal. Toch is de sedimentatie van de oorspronkelijke mentale ideëen in één of meerdere materiële structuren essentieel om daadwerkelijk van software te kunnen spreken. Ik wil computerprogramma’s dus niet in een “geestelijk rijk” plaatsen.
Daniel Dennett ontkent in zijn boek “Consciousness Explained” eenvoudigweg het bestaan van subjectieve innerlijke ervaringen. Volgens hem bestaan er dus helemaal geen qualia. Hij negeert de subjectieve ervaring volledig. Dit lijkt mij een onhoudbare stelling. Als mens hebben wij ontegenzeggelijk bepaalde subjectieve innerlijke ervaringen. Het is precies de aard en herkomst van deze ervaringen die om een verklaring vragen (i.e. Chalmer’s “hard problem”). Dennett omzeilt deze problematiek in zijn boek volledig.
Je uitspraak “hoe zou je moeten vaststellen of functionele verbanden wel of niet worden bepaald door [innerlijke] ervaringen” kan ik niet plaatsen. Nergens beweer ik dat [innerlijke] ervaringen functionele verbanden bepalen.
In de eerste alinea geef je het voorbeeld van de computer. Welnu, indien computers (of andere machines) inderdaad innerlijke subjectieve ervaringen zouden hebben (hetgeen mij overigens erg onwaarschijnlijk lijkt), dan is ook hun innerlijke subjectieve ervaring niet restloos reduceerbaar tot de gangbare natuurwetenschappelijke categorieën (e.g. materie, energie, krachtvelden, etc.). Dezelfde dualistische argumentatie als voor de mens zou in dat geval namelijk ook opgaan voor de computer. Dit argument betreft namelijk niet, zoals jij lijkt te suggereren “Ik voel het zo”, maar veeleer “Er wordt gevoeld, en precies die werkelijkheid is niet restloos tot materie (in enge of ruime zin) herleidbaar”. Groet, G.J.E. Rutten.
Comment from Kweetal
Time: 23/12/2009, 12:28
Dennett gaat in zijn boek uitsluitend uit van het derde persoonsperspectief. Hij bekijkt de zaak vanuit een wetenschappelijk standpunt en laat het subjectieve aspect volledig buiten beschouwing. Wat hij probeert te beargumenteren is dat (uitwendig waarneembaar) gedrag volledig te verklaren is zonder gebruik te maken van aspecten van subjectieve beleving. En dat je dus zeker geen “res cogitans” daarvoor nodig hebt. Dennett omzeilt daarmee de vraag in hoeverre functionele verbanden worden bepaald door innerlijke ervaringen. Als je functionele verbanden tussen stimuli en responsen kunt verklaren zonder gebruik te maken van een innerlijk perspectief, kun je dat perspectief vanuit een wetenschappelijke visie bezien verder buiten beschouwing laten.
Maar dat betekent niet dat dat perspectief er niet zou zijn. Wij ervaren het zo. Dichters beschrijven het. In het dagelijkse spraakgebruik speelt het een centrale rol bij het spreken over gedrag. Maar zelfs van een dichter kun je niet objectief wetenschappelijk vaststellen of hij over zo’n perspectief beschikt. Hoe zouden we dan computers zo’n perspectief kunnen ontzeggen als ze net zulke indrukwekkende gedichten zouden produceren als onze grote dichters? Ik zie niet in waarom zulk gedrag van een computer dan niet restloos tot materie herleidbaar zou zijn. We hebben immers die computer zelf gemaakt en daarbij is alleen maar materie gebruikt. We hebben het apparaat geen goddelijke levensadem ingeblazen.
Er zijn gewoon verschillende perspectieven op de werkelijkheid mogelijk. Je hebt het perspectief van de wetenschapper en je hebt het perspectief van de dichter. De dichter kan (meestal) niet wat de wetenschapper kan en de wetenschapper kan (meestal) niet wat de dichter kan. Er zijn uitzonderingen, zoals Leo Vroman en Rutger Kopland, maar ook voor hen zijn wetenschap en dichterschap gescheiden werelden.
Comment from G.J.E. Rutten
Time: 23/12/2009, 20:15
Beste Kweetal, stel dat Dennett gelijk heeft met zijn claim dat uitwendig waarneembaar gedrag volledig te verklaren is zonder een beroep op subjectieve beleving. Dan nog blijft er een objectief te verklaren feit voor de wetenschap over. Namelijk het objectieve feit dat er in de wereld überhaupt zoiets bestaat als innerlijke subjectieve ervaring. Dat er subjectieve ervaring in de wereld bestaat is op zichzelf een objectief feit en als zodanig weldegelijk geschikt als onderwerp voor wetenschappelijke reflectie.
Het punt waar het mij namelijk steeds om gaat is dat de wereld ontegenzeggelijk niet uitsluitend bestaat uit uiterlijke verschijnselen (zoals bomen en planeten), maar ook uit innerlijke ervaringen (zoals gevoelens van pijn). Het feit dat er in de wereld innerlijke ervaringen bestaan is net zo objectief als het feit dat er in de wereld materiële structuren bestaan. Het ontkennen van het bestaan van innerlijke ervaringen (bij jezelf of anderen) leidt (net zoals het ontkennen van het bestaan van de buitenwereld) tot een radicaal scepticisme.
Welnu, alles waarvan objectief het bestaan wordt aangenomen – waaronder dus uiterlijke verschijnselen én innerlijke ervaringen - kan optreden als onderzoeksobject van wetenschapsbeoefening. Natuurlijk zullen de te hanteren wetenschappelijke methoden in het geval van onderzoek naar uiterlijke verschijnselen niet hetzelfde zijn als de methoden voor het proberen te achterhalen van de herkomst van innerlijke ervaringen. Ook is het zeker zo dat het wetenschappelijk onderzoek van uiterlijke verschijnselen eenvoudiger is dan het wetenschappelijk verklaren van de aard van innerlijke ervaringen. Zo kunnen we nooit zeker weten of onze innerlijke ervaringen gelijk zijn aan die van anderen. Verder is het uiteraard ook zo dat de wetenschap zich tot op de dag van vandaag vooral bezighoudt met het onderzoek naar uiterlijke verschijnselen. Er is maar heel weinig onderzoek naar de herkomst en aard van onze innerlijke ervaringen.
Uit dit alles volgt echter niet dat er een afdoende reden is om op voorhand het domein van wetenschapsbeoefening te beperken tot onderzoek naar uiterlijke verschijnselen. Het is dan ook weldegelijk legitiem om te zoeken naar een wetenschappelijke verklaring voor het objectieve feit dat er in de wereld innerlijke ervaringen bestaan (merk op: het gaat hier dus niet om een vruchteloze poging om de innerlijke ervaring van derden te beschrijven). Ook jij lijkt een wetenschappelijke verklaring voor het bestaan van innerlijke ervaringen niet uit te sluiten. Zo stel je: “Bewustzijn en geest zijn voor mij niet meer dan aanduidingen voor bepaalde activiteiten van ons brein”. Je verklaart het bestaan van innerlijke ervaring dus door te beweren dat innerlijke ervaringen herleid kunnen worden tot materiële structuren. Dit is echter een onvervalst voorbeeld van een wetenschappelijke verklaring voor het objectieve feit dat er in de wereld innerlijke ervaringen bestaan!
Zelf ben ik zoals gezegd van mening dat een restloze reductie van innerlijke ervaringen tot materiële structuren geen adequate verklaring is. De wetenschappelijke verklaring die ik voorsta is immers dualistisch. Een restloos uit materie bestaande computer zal daarom uitgaande van mijn dualistische positie géén innerlijke ervaringen hebben. Natuurlijk wil ik daarmee niet zeggen dat wij als mens nimmer in staat zullen zijn om een computer te produceren die bijvoorbeeld prachtige gedichten kan schrijven. Dit is in de toekomst misschien best mogelijk! Hieruit volgt echter niet dat een dergelijke computer ook innerlijke ervaringen zou moeten hebben. De vaardigheid om uiterlijk gedrag te kunnen vertonen dat door ons als mensen wordt geassocieerd met het hebben van bepaalde innerlijke gevoelens is immers geen voldoende voorwaarde voor het ook daadwerkelijk innerlijk ervaren van deze gevoelens. Dit is precies waarop Chalmers doelt wanneer hij een onderscheid maakt tussen ‘the easy problem’ (uiterlijk gedrag produceren) en ‘the hard problem’ (ook echt innerlijk iets voelen).
Onze beide posities zijn nu volgens mij voor zowel jou als mij voldoende duidelijk. Een discussie hierover zou nog eindeloos door kunnen gaan. Dit lijkt mij niet het kader om dat te doen. Wat mij betreft dus tot zover! Groet, G.J.E. Rutten.
Comment from Kweetal
Time: 24/12/2009, 10:41
Hoe zou iets dat niet van buiten af waarneembaar is een objectief feit kunnen zijn? De enige die toegang heeft tot jou als subject ben je zelf. En als jij claims uit over jouw subjectieve beleving kunnen we niet nagaan hoe die corresponderen met de subjectieve beleving van een ander. Beiden zeggen misschien wel het zelfde, maar ondergaan ze ook wel het zelfde? Zie jij precies het zelfde als ik, als we beide zeggen dat we een rode tomaat zien? We hebben geleerd een bepaalde kleurindruk met het woord “rood” te benoemen, maar dat betekent niet dat die subjectieve kleurindrukken zelf met elkaar overeen komen.
Waarom zou er één alles omvattende beschrijving moeten zijn van alles wat wij als de werkelijkheid zien? Waarom zou de wetenschap zich met innerlijke ervaringen moeten bemoeien? Het streven van de wetenschap is te abstraheren van de belevingen van het individuele subject. Wetenschap moet persoonsonafhankelijk kunnen functioneren. Als twee wetenschappelijke vakgenoten het zelfde zien, moeten hun wetenschappelijke beschrijvingen van dat fenomeen exact met elkaar overeen komen. Maar het is onmogelijk dat twee personen toegang hebben tot een en dezelfde innerlijke beleving.
Ik ga er van uit dat innerlijke ervaringen zich enkel en uitsluitend manifesteren in materiële structuren. Dat wil nog niet zeggen dat ze zonder meer herleidbaar zijn tot de wetten die het gedrag van materiële structuren beschrijven. Maar ik denk dat het om het bestaan van innerlijke ervaringen te begrijpen niet nodig is om een beroep te doen op iets essentieel immaterieels. Weliswaar zijn computers nog niet in staat tot alles waar wij met ons brein toe in staat zijn, maar waarom zou je moeten uitsluiten dat ze ooit over dezelfde vermogens zouden beschikken? En bij computers weten we dat daar niets immaterieels bij komt kijken.
Wat ik echter in mijn stukje heb proberen duidelijk te maken is dat een materialistische wetenschap op geen enkele manier strijdig hoeft te zijn met al dan niet religieuze opvattingen over de ziel. Het materialistisch wetenschappelijke wereldbeeld en het wereldbeeld van veel religies kunnen uitstekend naast elkaar bestaan zonder dat ze in elkaars vaarwater komen. Dat kan niet als je ervan uitgaat dat de wereld maar op één manier volledig is te beschrijven, maar ik denk dat dat een onhoudbaar standpunt is. Er zijn noch volledige, noch exclusieve beschrijvingen mogelijk.
Comment from G.J.E. Rutten
Time: 24/12/2009, 12:12
Beste Kweetal, toch nog even voor de duidelijkheid een korte toelichting. Ik ben het natuurlijk helemaal met je eens dat de wetenschap zich niet moet bezighouden met de vraag of de subjectieve beleving van de ene persoon correspondeert met die van de ander. Niet voor niets stel ik in mijn reactie “[We] kunnen […] nooit zeker weten of onze innerlijke ervaringen gelijk zijn aan die van anderen”. Ook schreef ik “het gaat hier dus niet om een vruchteloze poging om de innerlijke ervaring van derden te beschrijven”.
Verder ben ik het uiteraard ook volstrekt met je eens dat subjectieve indrukken niet met elkaar overeen hoeven te komen. Er is immers inderdaad, zoals jij terecht stelt, geen enkele reden om te beweren dat mijn subjectieve (kleur)indrukken overeenstemmen met die van jou.
Dit alles is dan ook niet mijn punt! Het objectief te verklaren feit waar ik het over heb betreft helemaal niet de specifieke kwalitatieve inhoud van bepaalde innerlijke ervaringen. Deze inhoud is immers, zoals ook jij terecht stelt, subjectief en dus niet voor derden toegankelijk.
Het door de wetenschap te verklaren objectieve feit betreft iets geheel anders, namelijk het objectieve feit dat er in de wereld überhaupt zoiets bestaat als subjectieve innerlijke ervaring (van welke kwalitatieve hoedanigheid dan ook). Precies dát is een objectief feit en verdient een wetenschappelijke verklaring. Het ontkennen dat er in de wereld subjectieve innerlijke ervaringen (van welke hoedanigheid dan ook) bestaan resulteert namelijk in een radiciale vorm van scepticisme, vergelijkbaar met twijfel aan het bestaan van de buitenwereld.
Dat ik vervolgens in tegenstelling tot jou uitga van een dualistische benadering is inmiddels bekend. Groet, G.J.E. Rutten
Comment from Kweetal
Time: 25/12/2009, 13:13
Beste G.J.E. Rutten,
Dank je wel. Door deze discussie heb je me geholpen een duidelijker beeld te krijgen van waar het wat dit onderwerp betreft om gaat.
Prettige feestdagen.
Comment from G.J.E. Rutten
Time: 25/12/2009, 15:33
Géén dank! Jij ook prettige feestdagen. Groet, G.J.E. Rutten
Schrijf een opmerking