Menu

Recente commentaren

RSS FilosofieFeed

Site doorzoeken

Archief

Categorieën

Populair

Links

De Meester is een hansworst - Briefwisseling tussen Friedrich Nietzsche en Malwida von Meysenbug

 

De vermeende vrouwenhater Friedrich Nietzsche onderhield van 1872 tot aan zijn geestelijke ineenstorting in 1889 een levendige en innige correspondentie met een vrouw die zijn moeder had kunnen zijn: Malwida von Meysenbug. Ondertussen ontwikkelde hij zijn grootse, alomvattende filosofie, die hem steeds verder van de mensen deed wegdrijven en waarmee hij overal, ook bij Von Meysenbug, onbegrip kweekte. Hoewel zij zich tot het einde toe om hem bekommerde, keerde Nietzsche zich uiteindelijk ook van haar af. De briefwisseling laat zien hoe de wanhopige filosoof zich uit alle macht probeerde te conformeren aan zijn eigen leerstellingen.

Nietzsche en Malwida von Meysenbug worden in mei 1872 in Bayreuth aan elkaar voorgesteld door Cosima Wagner, de vrouw van de componist die Nietzsche in de eerste fase van zijn filosofische ontwikkeling zo hartstochtelijk vereerde. Von Meysenbug is dan 55 jaar oud; ze is goed opgeleid, nooit getrouwd en heeft een kleine schare bewonderaars om zich heen verzameld met haar Memoiren einer Idealistin (1869). Nietzsche is 27 ten tijde van de ontmoeting en heeft dan juist zijn eerste grote werk gepubliceerd, Die Geburt der Tragödie (1872).

Nietzsche en Von Meysenbug vinden elkaar in hun passie voor Wagner (‘de Meester’) en zijn vrouw (‘de Meesteres’) en voor het pessimistische werk van Schopenhauer. Von Meysenbug herkent daarvan veel in Nietzsches boek en steekt haar enthousiasme niet onder stoelen of banken. De toon van de correspondentie is dan ook zeer warm, respectvol en vriendschappelijk. Beide lijden aan een slechte gezondheid en worden nu en dan geplaagd door eenzaamheid, maar denken toch voornamelijk aan elkaar en zijn erg voorkomend. Zo schrijft Von Meysenbug in februari 1873:

Alles is grijs, somber en zwaar binnen mij en buiten mij, daarom nam ik roze papier om U te schrijven, omdat ik graag wilde, dat het er bij U roze uit zou zien.

Nietzsche reageert als volgt:

Hoe gaarne zou ik deze paasdagen bij U doorbrengen (…). Zo ik al niet van dienst zou kunnen zijn met U te troosten, dan zou het me toch gelukt zijn U af en toe te verstrooien en Uw gedachten waarnaartoe ook af te leiden.

Zo gaat het een aantal jaren door. Von Meysenbug en Nietzsche vertellen elkaar uitgebreid over hun leven, hun vrienden, hun gezondheid, en tonen zich daarbij van hun meest empathische kant. Steeds weer verlangen ze ernaar en nemen ze zich voor elkaar op te zoeken; steeds weer vallen de plannen in het water omdat een van beider gezondheid het niet toelaat. In zijn denken zit Nietzsche nog volledig op één lijn met zijn inspiratoren, wat hem bijzonder vrolijk stemt:

Het gaat mij al met al eigenlijk beter dan al mijn medemensen sinds ik op deze weg ben, waarboven twee zonnen schijnen, Wagner en Schopenhauer, en een complete Griekse hemel zich uitstrekt.

Maar in de jaren 80 komt hieraan een einde. Terwijl Von Meysenbug standhoudt in haar niet aflatende bewondering voor de Meester en de Meesteres en nog altijd dweept met de boeddhistische elementen in het werk van Schopenhauer, staat Nietzsche steeds steviger in zijn eigen filosofische schoenen – die in zijn optiek een maatje te groot zijn voor zijn oude helden. Aanvankelijk meent Von Meysenbug, die al Nietzsches boeken toegestuurd krijgt, dat hij slechts een positivistische fase doorloopt en vast wel weer naar de basis zal terugkeren, maar Nietzsche kent maar één weg: recht vooruit, steeds verder, zonder omkijken. Zijn ideeën – over vriendschap, waarden, metafysica – worden radicaler, en de opdracht waarvoor hij zich gesteld ziet, krijgt in zijn hoofd grotere en grootsere vormen.

Er is één probleem. Nietzsches zachte persoonlijkheid, zijn betrokkenheid bij zijn vrienden en zijn medelijden met de mensen om hem heen stroken bepaald niet bij zijn nieuwe denkbeelden, waarin de straffe herenmoraal het ideaal is. Langzaam dringt dit tot hem door. Hij begrijpt dat hij, wil hij daadwerkelijk ook zelf zijn filosofie doorleven, zijn licht onderdanige persoonlijkheid geweld zal moeten aandoen. De enige manier voor Nietzsche om dit voor elkaar te krijgen, is door te breken met iedereen die hem na staat en actief de eenzaamheid op te zoeken. Eind maart 1884 schrijft hij:

De vorm van mijn menszijn bestaat erin niets te laten merken van mijn uiteindelijke bedoelingen; bovendien is dat ook een kwestie van verstandigheid en zelfbehoud. Wie zou niet bij mij weglopen! – wanneer hij erachter zou komen welke plichten uit mijn manier van denken voortkomen. Ook U! Ook U, mijn hooggeachte vriendin! – De een zou ik stukbreken en de ander in het verderf storten: Laat U mij maar in mijn eenzaamheid!!!

Nietzsche heeft zijn ironische schrijfstijl inmiddels vervangen door een toon die is doordrenkt van pathetiek. De meeste van zijn vrienden – ook zijn zuster, een ‘gans’ wier antisemitisme Nietzsche veracht – heeft hij van zich afgestoten. En nu begint hij ook Von Meysenbug, aanvankelijk op plagerige toon, te beledigen:

Zelfs mijn oude vriendin Malwida – ach, U kent haar niet! – is tot in al haar instincten aartskatholiek: waartoe zelfs nog de onverschilligheid voor voorschriften en dogmata behoort.

Maar Malwida kan wel tegen een stootje:

(…) of U het nu wilt of niet – ik blijf U, ondanks Uw zwartekunstgedachten, zeer genegen en geloof meer in de kunstenaar in u dan in de zwarte (…).

Haar reactie ontroert Nietzsche en stemt hem direct milder:

Het schijnt werkelijk zo te zijn, dat ik in mijn laatste brieven hetzij met U, hetzij met mijzelf geheel ongeoorloofde grappen heb gemaakt: en het is fijn, dat U die niet verkeerd opvat. (…) Misschien vervult zich mijn wens U weer te zien, geachte vriendin, eindelijk! eindelijk! en wel de komende winter.

De definitieve verwijdering is echter al op handen en Nietzsche en Von Meysenbug zullen elkaar ook de komende winter niet ontmoeten. Nietzsche neemt zijn filosofische taak zeer serieus. Hij kan daarbij geen mensen gebruiken en sluit zich als een kluizenaar op in de bergen van Zwitserland. In mei 1887 schrijft hij:

Datgene, wat voor mij nog leven betekent, een ongewone en moeilijke opgave, beveelt mij ook de mensen uit de weg te gaan en mij aan niemand meer te hechten. Het kan komen door de extreme zuiverheid die die opgave nu eenmaal van mij eist, dat ik allengs de geur van ‘de mensen’ niet meer verdragen kan (…).

Ondertussen leest Von Meysenbug ook Nietzsches nieuwste geschriften, waarin zij nu nog maar weinig herkent van haar eigen denkbeelden. Over Nietzsches onderscheid tussen zwakke en sterke naturen schrijft ze hem:

Het is een vergissing of een paradox wanneer U zegt dat U het geluk heeft alles tegen U te hebben dat zwak en deugdzaam is. De waarachtig deugdzamen zijn in het geheel niet zwak, het zijn veeleer de waarlijk sterken, zoals het oorspronkelijke begrip virtú ook zegt. En Uzelf bent de levende tegenspraak daarvan, want U bent waarachtig deugdzaam en ik geloof dat Uw voorbeeld, indien de mensen het werkelijk zouden kennen, meer zou overtuigen dan Uw boeken.

Hier wordt duidelijk dat Von Meysenbug en Nietzsche nu echt op verschillende sporen zijn aanbeland: Von Meysenbug refereert aan Nietzsches (vroegere) karakter, dat Nietzsche zelf juist sterk verafschuwt, zo sterk dat hij zich volledig heeft onttrokken aan de omgang met mensen. Tegelijkertijd distantieert Von Meysenbug zich van Nietzsches werk, terwijl voor Nietzsche nu juist alles in het teken van dat werk staat. Als Nietzsche in oktober 1888 dan ook nog eens Wagner publiekelijk afvalt, is voor Von Meysenbug de maat vol. Ze schrijft:

Ik ben (…) van mening dat men een oude liefde, zelfs wanneer die uitgedoofd is, niet zo behandelen mag als u W[agner] behandelt; men beledigt daarmee zichzelf want men heeft toch eens geheel en al bemind en het voorwerp van deze liefde was toch geen fantoom maar volledig werkelijk. De uitdrukking ‘hansworst’ voor W[agner] (…) is echt afschuwelijk.

Nietzsche beseft dat hij Von Meysenbug kwijt is. En terwijl hij haar altijd met groot respect en liefdevol heeft benaderd, lijkt hij haar nu ook moeiteloos van zich af te schudden:

Vergeeft u me, dat ik nog een keer het woord neem: het zou de laatste keer kunnen zijn. Ik heb langzamerhand bijna al mijn menselijke betrekkingen afgeschaft uit afkeer ervan, dat men mij voor iets anders houdt dan ik ben. Nu bent U aan de beurt. (…) Begrijpt U dan niets van mijn opdracht? Wat het wil zeggen ‘herwaardering van alle waarden’? (…) U heeft nooit één woord van mij begrepen, nooit één stap van mij begrepen.

De discrepantie tussen zijn werk en persoonlijkheid breekt Nietzsche uiteindelijk op. Nog geen jaar later zal hij zijn verstand verliezen.

Max Noordhoek en Paul van Tongeren (red.) (2004), Friedrich Nietzsche & Malwida von Meysenbug. ‘U heeft nooit een woord van mij begrepen’. Briefwisseling. Kampen: Uitgeverij Klement.

Door Antje Visser
Deze bijdrage verscheen eerder in Cimedart.

Comments

Comment from Ger van der Heijden
Time: 22/07/2010, 22:52

Altijd verrassend om dit blog te lezen. Nu lijkt het of op een of andere manier de zomer heeft toegeslagen. Het besproken boek is een mooie briefwisseling en als je van Nietzsche houdt een mooie aanwinst voor de boekenkast.
Alleen, wat heeft de lezer er aan. Het boek is een hele tijd geleden verrramjst voor weinig geld en nu alleen nog 2e hands te verkrijgen voor meer dan € 15,00 of in de bibliotheek.

Comment from Filosofieblog
Time: 23/07/2010, 09:26

Beste Ger,

Dat klopt.
Deze bijdrage is afkomstig uit Cimedart, het tijdschrift van studenten van de Afdeling Wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam. Filosofieblog werkt al geruime tijd samen met Cimedart en deze bijdrage komt uit de rubriek ‘De brief’, waarin steeds een andere briefwisseling centraal staat.

Comment from Van de Weyer Rene
Time: 23/07/2010, 10:28

Toch mooi Antje Visser,

Zeer interessante lectuur en geeft perfect aan hoe het intellect kan verdwalen en geestelijk, lichamelijk er onderdoor kan gaan als de werkelijkheid (het leven) geen rugdekking geeft aan vernieuwd denken. Waarmee ik bedoel; het leven moet stevig gegrond zijn in een familie relatie, die echter volledig los moet staan van het individueel denkend subject. Ook hier moet het denken los gekoppeld worden van het leven, want het denken dient het ‘nu’ niet. Er groeit met name een sterke discrepantie tussen het toekomst denken (vernieuwde denken) en het denken dat terug grijpt naar het verleden, of het verleden nodig heeft om het ‘zijn’ instant te houden, waar de zelfredzaamheid aan ontrokken word.

Schrijf een opmerking