De drie verhalen van Plato
Leven is beleven, is een onophoudelijk bewegen van de voorgaande belevenis naar de volgende. Maar belevenissen op zichzelf zeggen niets. Een belevenis moet een betekenis krijgen, al is het alleen maar om ze aan anderen te kunnen doorvertellen. En wat een betekenis doet is het kenmerken van het karakter van een belevenis, het aangeven van wat er bijzonder aan is. Maar de betekenis toont tegelijk het algemene ervan, het kader waarin die belevenis een plaats moet krijgen. Betekenis is dat wat je over een belevenis kunt vertellen, en wat dat vertellen ook de moeite waard maakt. Betekenis is de verf waarmee je een situatie schildert, de muziek waarmee je een wederwaardigheid bezingt, de taal waarmee je een gebeurtenis vertelt.
Maar de belevenis bevat geen verf, maakt geen muziek en spreekt geen taal. Dat zijn zaken die wij eraan toevoegen. Wij kiezen het palet, de klanken en de woorden waarmee een belevenis betekenis krijgt. Wij zijn het, die onze wederwaardigheden vertolken om ze aan anderen inzichtelijk te maken. Wij bepalen betekenissen. En alleen wij, mensen, kunnen zulke betekenissen vatten. Het is niet de werkelijkheid die toekent, verwijst en vertolkt. Dat doen wij, en niemand anders. Betekenissen hebben betekenis doordat ze door mensen begrepen worden. Betekenissen hebben betekenis omdat ze in menselijke termen vervat zijn.
Menselijke termen, woorden en definities, zijn bergplaatsen. Ze bieden ruimte aan een veelheid van concrete realisaties, ze vatten een in principe oneindige collectie van belevenissen samen. Dingen zijn ‘groot’ of ‘klein’. Er zijn vele ‘rode’ dingen in de werkelijkheid. Gebeurtenissen voltrekken zich ‘langzaam’ of ’snel’. Situaties zijn ‘complex’ of ‘overzichtelijk’. Termen zoals de aangehaalde zijn ordeningen die een onbeperkte verzameling van voorkomens rangschikken in een beperkt aantal vakjes. En die vakjes zijn niet door de werkelijkheid gemaakt, maar door mensen bedacht. De werkelijkheid toe-eigenen betekent het uiterlijke verinnerlijken door termen te kiezen om die werkelijkheid in weer te geven, principes te bedenken die op die termen van toepassing zijn, dat op onze belevenissen toe te passen en daarmee wereldbeelden te bouwen die het leven betekenis verschaffen.
De filosofie kent van oudsher een aantal grondprincipes, zoals het principe van de uitgesloten derde, het principe van de tegenspraak en het principe van de voldoende grond. Daarnaast zijn er een groot aantal principes waarover filosofen onderling discussiëren. Volgens Heraclitus was het enig mogelijke principe dat van de voortdurende verandering. Maar zijn tijdgenoot Parmenides ging juist uit van onveranderlijkheid als grondprincipe. Volgens Ockham was de simpelste verklaring voor verschijnselen altijd de juiste, wat niet altijd in overeenstemming was met andere principes. En Laplace verkondigde het principe van het determinisme, dat stelde dat de gang van zaken in het heelal al bij het ontstaan ervan al vastlag, iets wat door hedendaagse natuurkundigen wordt bestreden.
Al die principes worden verondersteld op de werkelijkheid van toepassing te zijn. Maar dat zijn ze alleen via de betekenissen die wij aan die werkelijkheid toekennen. En via die betekenissen komen wij tot oordelen. De logica bepaalt hoe je uit dergelijke principes andere principes kunt afleiden, en hoe je uit uitspraken andere uitspraken kunt afleiden. De ethiek bepaalt wat hoort en niet hoort. En de esthetica bepaalt wat mooi is en wat niet. Wat waar is, wat mooi is en wat goed is bepalen we volledig zelf. En daarmee kwalificeren we de wereld waarin we onszelf ervaren. Met zo’n kwalificatie nemen we afstand tot de werkelijkheid van onze leefwereld en maken die tot wezensvreemd aan ons eigen bestaan. Door over de wereld te oordelen plaatsen wij onszelf daar buiten en scheppen daarnaast een wereld van, voor en door onszelf.
Betekenissen zijn verhalen die we over de wereld vertellen. Ze moeten ons de vreemdheid van de wereld helpen doorzien. Ze moeten ons een achtergrond verschaffen waartegen we dat wat we meemaken kunnen plaatsen om het te kunnen verwerken en voor ons acceptabel te maken. Daartoe moeten betekenissen ons vertellen waaruit onze belevenissen voortkomen, wat ze zijn en wat maakt dat ze zijn wat ze zijn. Om de wereld te begrijpen hebben we een andere wereld nodig, een wereld achter de wereld, een wereld met mechanismen, causale verbanden en redenen, een wereld, niet van objecten maar van betekenissen. Voor Plato was dat de ware wereld achter de waanwereld van onze percepties, zoals hij duidelijk maakt met zijn grotvergelijking. Hij presenteert drie aparte werelden: de schaduwwereld van de grot, de ware wereld buiten de grot en de wereld waarin het verhaal dat hij vertelt een plaats heeft.
De grot is de wereld waarin de meeste mensen zijn opgesloten die geen andere werelden kennen. Wat die mensen zien zijn volgens Plato slechts schaduwen van de ware werkelijkheid. Onze ogen tonen ons niet de wereld zoals hij is, maar slechts een verminkte afspiegeling vol gebreken en onvolkomenheden. Alle dingen zijn verschillend en geen is wat het moet zijn. Altijd is er iets dat ontbreekt, iets dat vervormt, iets dat afbreuk doet aan de ware aard der dingen. Niets is puur, niets is echt. De manifeste werkelijkheid vervalst de ware werkelijkheid.
De ware werkelijkheid is de wereld van de volmaakte vormen, de wereld van de dingen zoals ze zouden moeten zijn. Die wereld is een spaarzame wereld. Elk van de dingen van die wereld is uniek, compleet, en onverbeterbaar. En omdat dat zo is, is er van elke natuurlijke soort maar één exemplaar. Er kan er immers maar één de volmaakste zijn. Die wereld te kennen is maar weinigen gegeven. Dat vereist dat je afstand kunt nemen van de valse schijn, dat je het illusoire van de verschijnselen onderkent, dat je verder kunt kijken dan de buitenkant van de dingen. En dat is volgens Plato alleen echte filosofen gegeven.
En dan is er nog de wereld van dat verhaal, die grotvergelijking, zelf. Hoe moeten we Plato’s verhaal lezen, wat wil hij ons daarmee duidelijk maken? Plato’s verhaal zegt ook dingen over dat verhaal zelf, over de vorm waarin je zaken aan de orde kunt stellen en de manier waarop je iets duidelijk kunt maken. Plato’s verhaal is in dialoogvorm geschreven, en maakt daarmee duidelijk hoe je in een samenspraak tussen twee mensen een probleem kunt schetsen en oplossingsmethoden daarvoor kunt aanreiken. Plato’s verhaal maakt vooral de kracht van metaforen duidelijk, in de vorm van de vergelijking van de grot met de ware wereld die de verhouding tussen de manifeste wereld en de vormenwereld verzinnebeeldt.
Drie werelden om één wereld te begrijpen, terwijl het begrip “wereld” als zodanig eigenlijk hlemaal niet moest bestaan. Als Louis Armstrong zingt “What a wonderful world” dan is dat vreemd. Want waarom zou de wereld wonderbaar zijn? Of afschuwelijk? Of wat dan ook? De wereld is de wereld. Het is de enige die we hebben. En waarom zou wat hij is, als hij iets is, voor wie dan ook van enig belang kunnen zijn? Wat heeft het voor zin om een oordeel aan de wereld te hechten? Krijgen we dan misschien een andere wereld? Er is geen alternatief voor de wereld. Dus waarom zou een wereldbewoner zich druk kunnen of moeten maken over hoe de wereld is en hoe je dat zou kunnen waarderen? Waarom zou iemand die op geen enkele manier op de hoogte kan zijn van werelden in het algemeen en andere werelden in het bijzonder toch een oordeel kunnen hebben over de enige wereld waarin hij is ontstaan, waarin hij kan bestaan en waarin hij zal vergaan? Is het niet vreemd dat mensen de wereld vreemd kunnen vinden?
Gepost: juli 25th, 2010 onder Zonder categorie door Kweetal.
Comments: none
Schrijf een opmerking