Kosmopolitisme en zijn vijanden
De term kosmopolitisme is aan een sterke opmars bezig binnen de hedendaagse politieke filosofie. In tegenstelling tot wat velen denken heeft het concept al een eeuwenoude geschiedenis. Het kosmopolitisme werd reeds tijdens de Klassieke Oudheid gebruikt door vooraanstaande denkers zoals de filosoof Diogenes de Cynicus. Zij zetten zich af tegen denkers die zichzelf beschreven als leden van de polis, de naam die toen werd gebruikt om de Griekse stadstaten te beschrijven. Kosmopolieten wilden hun lot en hun leven niet verbinden aan één lokaliteit. Zowe
l politiek als intellectueel vonden ze zo een verbondenheid veel te benauwend. Ze beschreven zich als personen die verbonden waren met meerdere entiteiten en wilden zo in de verf zetten dat zich konden inleven in meer dan één manier van denken over politiek, ethiek of het leven in het algemeen. Ze noemden zich leden van de kosmos, de wereld.
Tegenwoordig vinden we de term kosmopolitisme terug in drie verschillende vormen. Deze drie vormen zijn reacties op de politieke structuren van de moderne tijd zoals die zich ontwikkelden sinds het midden van de zeventiende eeuw. Concreet gaat het om reacties op soevereine en territoriale natiestaten die werden ingevoerd tijdens het verdrag van Westphalen. Het kosmopolitisme is in zijn drie verschijningsvormen uitermate progressief en liberaal. Progressief omdat ze gebaseerd zijn op het verbeteren van bestaande politieke en sociale instellingen, liberaal omdat deze verbeteringen als doel hebben om het leven van individuen in de hedendaagse wereld significant beter te maken.
Omdat de vormen van kosmopolitisme die binnen dit essay aan bod komen reacties zijn op belangrijke historische ontwikkelingen is het interessant om de ontwikkelingen in kwestie bondig te beschrijven. Daarna zal ik overgaan tot een korte analyse van drie vormen van hedendaags kosmopolitisme die we terugvinden bij vooraanstaande denkers zoals de Duitse socioloog Ulrich Beck, de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum, de Britse politieke wetenschapper David Held en de romanschrijver Salman Rushdie. Vervolgens geef ik een schets van de tegenstanders van deze progressieve manieren van denken om te besluiten met sterke argumenten die het kosmopolitisme verdedigen en de kritiek erop aanwijzen als gevaarlijk en een bedreigend voor het voorbestaan van de liberale en open samenleving.
Territoriale natiestaten tussen 1648 en 1945: De Fase van institutionalisering
Het verdrag van Westphalen werd afgesloten in het midden van de zeventiende eeuw. Het was een reactie op de religieuze oorlogen die het Europese contitent teisterden in de nasleep van de Reformatie. Van bijzonder grote invloed op dit verdrag waren de ideeën van de denkers Thomas Hobbes en Jean Bodin. De Brit Thomas Hobbes beweerde dat mensen tijdens hun aardse bestaan worden gedreven door een destructieve drang om mekaar naar het leven te grijpen. Hij is de bedenker van de inmiddels door iedereen gekende strijd van allen tegen allen, gekoppeld aan het adagium dat de mens een wolf is in het aanzien van zijn soortgenoten. Om deze oorlog van allen tegen alleen in goede banen te leiden pleitte Hobbes voor de invoering van een staatsautoriteit, een macht die zich zou plaatsen boven de burgers om op deze manier hun veiligheid te garanderen. Hij noemde deze staatsvorm veelzeggend de Leviathian. ![]()
Jean Bodin was een Fransman en één van de grootste rechtsgeleerden van zijn tijd. Hij leefde tussen 1530 en 1596. Hij schreef dus voor Thomas Hobbes die leefde van 1588 tot 1679, de Leviathan verscheen in 1651. Gezien zijn het feit dat Bodin leefde voor Hobbes kan terecht worden gesteld dat hij allicht één van de belangrijkste bedenkers is van het idee van territoriale natiestaten. Ook is er het feit dat de Leviathan van Hobbes verscheen na het afsluiten van het verdrag van Westphalen. Dit doet vermoeden dat hij vooral descriptief processen analyseerde die reeds in een vergevorderd stadium zaten.
Jean Bodin was een groot tegenstander van het feodalisme. Dit was de politieke structuur die heerste tijdens de Middeleeuwen en de Vroegmoderne tijd. Het was een systeem gebaseerd op de macht van grondbezitters en landheren die via het uitdelen en verkrijgen van grondgebied de landkaart van het Europese continent bepaalden. Deze landkaart was echter niet te vergelijken met wat we vandaag de dag verstaan onder een politieke landkaart. Het feodalisme was een onoverzichtelijk systeem van dooreenlopende gebieden en machtsbevoegdheden. Zo kwam het regelmatig voor dat de koning van een land de vazal was van relatief onbeduidende grootgrondbezitters uit een ander land. Historici hebben dan ook beweerd dat het een anachronisme is om te spreken van het bestaan van zoiets als de feodale staat. Dit soort toestanden zorgden voor grote instabiliteit en onzekerheid. Bovendien was er binnen dit feodale systeem de tendens dat landheren die nieuwe stukken grond in hun bezit kregen ook een andere religie oplegden aan de bewoners van het desbetreffende grondgebied. Dit had tot gevolg dat aanhangers van een bepaalde religie vaak van de ene dag op de andere het slachtoffer werden van discriminerende maatregelen of gewelddadige onderdrukking terwijl ze voordien zelf lid waren van de meerderheidsgodsdienst op hun grondgebied.
Jean Bodin wilde aan deze toestanden een einde maken en ontwikkelde daarom het concept van staatssoevereiniteit. Volgens hem moesten geografische gebieden legale en politieke machten krijgen die overdraagbaar zijn op ambtsbekleders. Wanneer een bepaald gebied te maken kreeg met een nieuwe landheer was het niet meer mogelijk dat hij eigenhandig de regels kon veranderen naar zijn eigen goeddunken. De landheer zou voortaan immers een politicus zijn die de wetten naleefde die golden binnen het grondgebied waarin hij de leider was. Politieke functies en ambten werden met andere woorden overdraagbaar en losgekoppeld van personen of landheren en hun idiosyncratische grillen. Het was een revolutionaire gedachte met grote invloed op het verloop van de westerse politieke geschiedenis. Natuurlijk hadden de theorieën van Bodin ook hun negatieve kanten. Zo beweerde hij dat de soeverein van het land een goddelijke aanstelling had. Dit maakte hem onaantastbaar voor kritiek op zijn beleid en legde de basis voor latere vormen van despotisme, al dan niet gebaseerd op religieuze aanspraken.
Hobbes en Bodin waren dus de grondleggers van het idee en de praktijk van territoriale natiestaten. Het verdrag van Westphalen institutionaliseerde hun visies tot de algemeen geldende manier om na te denken over politiek. Van het midden van de zeventiende eeuw tot en met vandaag zijn het deze natiestaten die het fundament vormen van ons denken over politiek. Natuurlijk waren er ook toen al dissidente stemmen. De meeste bekende onder hen is ongetwijfeld Hugo de Groot beter bekend onder zijn Latijnse benaming Hugo Grotius. Hij beweerde aan het begin van de zeventiende eeuw op een visionaire manier dat het systeem van territoriale natiestaten zou leiden tot destructie en oorlog op grote schaal. Soms beweerde hij zelfs dat het systeem een bedreiging vormde voor het voortbestaan van de wereld. De ideeën van Grotius werden echter in zijn tijd zo goed als helemaal genegeerd. Vandaag worden ze nieuw leven geblazen door onder andere Martha Nussbaum. Zij is aan het werken aan een boek over Grotius en zijn visies over internationale relaties en baseert haar visie van kosmopolitische rechtvaardigheid op zijn basisbeginselen. Nussbaum beweert dat Grotius hét politieke systeem aanbiedt voor de 21ste eeuw. Toch mogen we niet vergeten dat de territoriale natiestaten een reactie waren op de wantoestanden van de godsdienstoorlogen en het feodalisme. Het Europese continent verkeerde in het midden van de 17de eeuw in grote chaos. Territoriale natiestaten met soevereine macht hebben ontegensprekelijk bijdragen aan het pacificeren van de toestand in Europa. Het is zeker correct om te beargumenteren dat ze hierdoor een grote invloed uitoefenden op wetenschappelijke, sociale en politieke voortgang. De vraag die kosmopolieten bezighoudt is dan ook niet de rol van soevereine natiestaten in de loop van de geschiedenis maar de wenselijkheid van hun voortbestaan in de toekomst.
Territoriale natiestaten na 1945: de Fase van consolidatie
Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben politieke ontwikkelingen plaatsgevonden die het paradigma van de territoriale natiestaten hebben ondermijnd. In Europa begon het proces van Europese integratie omdat vooraanstaande Europese staatslieden aan het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw goed hadden begrepen dat ze een herhaling van de catastrofale oorlogen, veroorzaakt door nationalisme, alleen konden voorkomen door een samenwerking tussen de Europese natiestaten. Vooral de drie opeenvolgende oorlogen tussen Duitsland en Frankrijk sinds 1871 hadden aangetoond dat internationale samenwerking noodzakelijk was om de vrede op het Europese continent te handhaven. Naast het proces van Europese integratie is er natuurlijk ook de oprichting van de Verenigde Naties en het ontstaan van de internationale rechtspraak in de nasleep van de processen van Neurenberg. Daarnaast is er ook het proces van economische integratie en mondiale economische samenwerking. Een proces dat in gang werd gezet door de akkoorden van Bretton Woods en dat zich in de loop van de eeuw, mede onder de invloed van de technologische ontwikkelingen, uitbreidde tot economische globalisering op mondiale schaal ondanks een grote terugval tijdens de jaren zeventig ten gevolge van de oliecrisis.
Ondanks deze evoluties blijven de territoriale natiestaten echter de belangrijkste factor binnen de hedendaagse politiek. Tijdens de jaren negentig van de vorig eeuw kondigden denkers vanuit verschillende hoeken het einde van de territoriale natiestaten aan. Zo beweerde de Japanse econoom en risicokapitalist Kenichi Ohmae dat de economie werkelijk globaal was geworden en dat natiestaten geen enkele invloed meer konden uitoefenen op globale economische processen. Andere denkers wezen op het proces van Europese integratie dat na het Verdrag van Maastricht in een nieuwe versnelling was terechtgekomen. De Spaanse socioloog Manuel Castells sprak in 1997 van het ontstaan van een globale netwerkmaatschappij waarbij territoriale natiestaten zouden worden gedegradeerd tot knooppunten binnen een extensief netwerk van actoren. De Amerikaanse journalist Thomas Freedman beweert in zijn absolute bestseller The World is Flat uit 2005 dat de wereld vlak is geworden. Eén van de vele suggesties in zijn boek is dat territoriale natiestaten
aan het begin van de deze eeuw geen politieke macht meer bezitten. Volgens mij is deze visie totaal uit de lucht gegrepen. Mijn mening omtrent het boek van Friedman wordt gedeeld door de vooraanstaande Amerikaanse journalist Fareed Zakaria in een boekbespreking verschenen in The New York Times op 1 mei 2005.
De denkers hierboven beschreven waren té optimistisch. Territoriale natiestaten spelen anno 2007 nog een bijzonder grote rol op het internationale politieke toneel. Toegegeven, supranationale politieke structuren, globale niet-gouvernementele organisaties en multinationale organisaties zijn tegenwoordig meer aanwezig dan ooit tevoren. Desondanks zijn ze er volgens mij nog steeds niet in geslaagd om de macht van de territoriale natiestaten te doorbreken. Substantiële vooruitgang is geboekt, maar het blijkt vooralsnog een druppel op de spreekwoordelijk hete plaat. Dat kunnen we besluiten op basis van meerdere recente gebeurtenissen. Ik zal enkele opvallende voorbeelden naar voren halen om de lezers te overtuigen.
Denken we ten eerste aan de verwerping van het voorstel voor het invoeren van een Europese grondwet door de burgers van Frankrijk en Nederland tijdens een referendum. Zoals de sociologen Ulrich Beck en Anthony Giddens in een artikel in The Guardian terecht beweren is deze verwerping vooral het gevolg van nationalistische tendensen en protectionistische reflexen. Denken we ook aan het protectionistische landbouwbeleid van de landen van de Europese Unie met Frankrijk en Polen in het bijzonder als hoofdrolspelers. Dit is opnieuw een schoolvoorbeeld van de manier waarop nationale regeringen vanuit Parijs en Warschau de vorm en de structuur van globale economie en zelfs de ontwikkelingen van landen bepalen via de machtsinstrumenten van de natiestaat. Denken we ook aan de oorlog van het terrorisme gelanceerd door de Amerikaanse president G.W. Bush. Een oorlog gebaseerd op een lijst van schurkenstaten (natiestaten) die gebruikmaakt van de conventionele middelen van de natiestaat zoals daar zijn: het bombarderen van steden en het inzetten van massale legers om grondgebieden te bezetten. Denken we ook aan de onafhankelijkheidsverklaringen van Montenegro, Gibraltar (!), en het streven hiernaar door Kosovo en Zuid-Ossetië.
Het gaat te ver om hier dieper in te gaan op de diverse redenen waarom de territoriale natiestaten zich de afgelopen hebben weten te consolideren. Belangrijk is echter om te erkennen dat ze inderdaad nog een grote rol spelen binnen de internationale politiek. Dit is voor het kosmopolitisme een groot probleem. Waarom dat zo is zal blijken uit de volgende paragrafen. Eerst geef ik echter een overzicht van de verschillende vormen van het kosmopolitisme die ik meen te kunnen onderscheiden Eerst bespreek ik het politieke kosmopolitisme, dan het rechtvaardigheidskosmopolitisme. Ten slotte komt het culturele kosmopolitisme aan bod.
Vormen van kosmopolitisme
Ten eerste wordt het kosmopolitisme door politieke wetenschappers gebruikt om staatsvormen te propageren die de grenzen en de soevereiniteit van de territoriale natiestaten overstijgen. Belangrijk is het om te benadrukken dat het kosmopolitisme geen voorstander is van het creëren van één mondiale superstaat zoals sommigen van zijn tegenstanders beweren. Politieke kosmopolieten zoeken naar complexe en diverse vormen van politieke organisatie en samenwerking waarbinnen natiestaten en zelfs regionale overheden vaak een grote rol spelen. Onder hen bevinden zich de Duitse socioloog Ulrich Beck en de Britse politieke wetenschapper David Held. Beiden beweren dat we, weliswaar op verschillende manieren en via verschillende intellectuele en ideologische standpunten, moeten zoeken naar mondiale politieke instellingen omdat de traditionele staatsvormen zoals we die sinds het verdrag van Westphalen uit 1648 kennen niet meer adequaat zijn aan het begin van de 21ste eeuw. De invloedrijke Duitse filosoof Jürgen Habermas beschrijft dit tijdperk als een postnationale constellatie en onderschrijft in grote mate de analyses van David Held en Ulrich Beck. Deze denkers beargumenteren terecht dat hedendaagse problemen globaal zijn geworden en niet meer kunnen worden aangepakt door territoriale natiestaten. De Poolse socioloog Zygmunt Bauman formuleert dit op een bijzonder krachtige en ondubbelzinnige manier: er zijn geen lokale oplossingen voor globale problemen.
Welke globale problemen worden door deze denkers dan beschreven? Ik bespreek hier het probleem van (mondiale) (massa)migratie omdat de noodzaak van een globale en kosmopolitische aanpak van de milieuproblematiek zo vanzelfsprekend is, dat het nauwelijks nog uitleg behoeft. Het recente rapport van de VN klimaatconferentie uitgegeven tijdens de laatste week van januari 2007 spreekt boekdelen. Ook de noodzaak om op een globale manier samen te werken om het terrorisme aan te pakken spreekt voor zich. Iedereen heeft ondertussen kunnen vaststellen dat een unilaterale benadering van het terrorismeprobleem leidt tot een toename en geen oplossing van het probleem van het hedendaagse terrorisme. Zelfs de neoconservatieve haviken in Washington moeten tegenwoordig met de staart tussen hun benen toegeven dat de beslissing om Irak binnen te vallen zonder omvangrijke internationale steun een vergissing was.
Het op gang komen van migratiestromen is meestal het gevolg van geopolitieke conflicten of economische armoede in de derde en/of vierde wereld. Mensen uit deze gebieden van de wereld slaan op de vlucht naar westerse landen. Deze worden bijgevolg geconfronteerd met grote stromen van inwijkelingen. Het beleid van de afgelopen jaren in de meeste Europese landen maakt duidelijk dat territoriale natiestaten zo goed als machteloos staan tegenover migratie als ze niet samenwerken. Immers, indien één land eigenhandig beslist om een restrictief migratiebeleid te voeren dan wordt het probleem gewoon verplaatst naar de buurlanden. Dit leidt dan weer tot een spiraal van repressieve maatregelen zodat aan het einde van de rit vluchtelingen nergens meer welkom zijn en terechtkomen in een toestand van stateloosheid en permanent nomadisme. De tragische levensomstandigheden van deze permanente staatsloze vluchtelingen worden beschreven door de Poolse socioloog Zygmunt Bauman in een boek uit 2004: Wasted Lives. Modernity and Its Outcasts. Het niet oplossen van de problemen van migratie is ook een voedingsbodem voor populistische en racistische partijen. Denken we maar een racisten en negationisten zoals de Fransman Jean-Marie Le Pen die schaamteloos de zwakke migranten demoniseren om er electoraal garen bij te spinnen. Deze gevolgen zijn onaanvaardbaar voor een liberale maatschappij. Een open samenleving kan niet aanvaarden dat mensen die vluchten van ellende niet adequaat kunnen worden geholpen om hun leven opnieuw op te bouwen. Binnen een open samenleving is het zeker onaanvaardbaar dat zwakke migranten worden gedemoniseerd door gewetensloze demagogen.
De enige manier om een goed integratiebeleid te voeren is door het kader van territoriale natiestaten te overstijgen en een samenwerking te realiseren op een niveau dat zo globaal mogelijk is. Of om te spreken met de woorden van Ulrich Beck: er is nood aan een kosmopolitische visie.
De tweede vorm van kosmopolitisme vinden we terug bij Martha Nussbaum. Zij bepleit in haar meest recente boek Frontiers of Justice een kosmopolitische theorie van sociale rechtvaardigheid. Volgens haar is het onrechtvaardig dat beslissingen van bepaalde staten armoede en onrust veroorzaken in andere landen van deze wereld. Om dit tegen te gaan is het volgens haar nodig om kosmopolitische staatsstructuren te ontwikkelen die de territoriale natiestaten en hun nationale eigenbelangen ondergeschikt maken aan de rechten van alle burgers van deze wereld. De globale burger moet met andere woorden voorrang krijgen op de belangen van de burgers van deze of gene particuliere natiestaat en haar beleid. Martha Nussbaum wordt hierin bijgetreden door progressieve denkers zoals de Amerikaanse filosoof Peter Singer en de Britse historicus Timothy Garton Ash. Deze laatste hekelt in zijn boek Free World vooral het landbouwbeleid van de Europese Unie. Door het hanteren van hoge invoerbarrières worden de landproducten uit de landen van de derde wereld afgeschermd van de westerse markt. Bovendien zorgen de westerse landen er door hun beleid van dumping ook voor dat ze de arme landen overspoelen met hun producten waarmee lokale landbouwers niet kunnen concurreren en bijgevolg op de fles gaan. Het hedendaagse landbouwbeleid van de Europese Unie is in de ogen van Ash een schandelijke vorm van bekrompen staatspolitiek afkomstig uit het tijdperk van territoriale natiestaten. Peter Singer trekt vooral van leer tegen de vervuiling van het milieu door de inwoners van de westerse mogendheden en de Verenigde Staten in het bijzonder. Rondrijdend met zware (terrein)wagens (SUV of Service Utility Vehicles), vervuilen zij immers de leefwereld van iedereen op deze aardbol, ook van de bewoners in andere landen terwijl deze mensen, paradoxaal genoeg, vaak nog nooit een wagen van dichtbij hebben gezien. Volgens Singer is het hoog tijd voor een globale (lees: kosmopolitische) ethiek.
De derde groep van kosmopolieten zijn de culturele kosmopolitische denkers. Zij halen uit naar iedere vorm van agressief en uitsluitend nationalisme dat het gevolg is van de structuren van territoriale natiestaten. Het concept natiestaat impliceert immers culturele homogeniteit. Het is een contaminatie van de concepten staat en natie waarbij het laatste vaak wordt geassocieerd met één volk of één cultuur. Semantisch impliceert het concept van de natiestaat dus dat er binnen haar grenzen alleen maar mensen wonen van dezelfde nationaliteit. In een essay voor de nieuwsbrief van Liberales verschenen op 2 februari 2007 heb ik aangetoond waarom zo een visie van homogeniteit niet meer strookt met de realiteiten van het hedendaagse redelijke pluralisme van John Rawls. De beroemde romanschrijver Salman Rushdie is het met mijn visie eens. Hij is een schrijver die opgroeide in Kasjmir, het onrustige grensgebied tussen India en Pakistan waar hij van zeer dichtbij de gevolgen van religieus en cultureel sectarisme kon gadeslaan. Rushdie is ongetwijfeld de grondlegger van het hedendaagse culturele kosmopolitisme. Door reeds vanaf het begin van jaren tachtig van de vorige eeuw te waarschuwen voor de gevolgen van het culturele homogene denken zal hij de geschiedenis in gaan als een visionair denker die anticipeerde op één van de grootste dilemma’s van zijn tijd. In zijn boek de Duivelsverzen steekt hij de draak met mensen die denken dat ze leven binnen één culturele gemeenschap of binnen één natiestaat. In zijn roman komen personages naar voren die leven op het grenspunt van verschillende landen en culturen. Van homogeniteit is er geen sprake. In meerdere passages in zijn boek drijft hij de spot met islamfundamentalisten. Maar ook monoculturele denkers uit het westen worden door Rushdie te kijk gezet doordat hij zijn westerse romanpersonages voorstelt als fanatiekelingen die iedere voeling met de realiteit hebben verloren. De boodschap van het boek van Rushdie is dat mensen vandaag de dag leven in een globale wereld waarin interactie met andere levensstijlen en culturen onvermijdelijk geworden is. Wanneer men in zo een wereld vasthoudt aan fundamentalistische en dogmatische interpretaties van deze of gene godsdienst, cultuur of levensstijl dan word je volgens Salman Rushdie letterlijk en figuurlijk een karikatuur van jezelf. Het lijdt tot onverdraagzaamheid en geweld, onbegrip en verlies van realiteitszin. Identiteiten aan het begin van de 21ste kunnen niet meer gekoppeld worden aan territoriale natiestaten, ze moeten een kosmopolitisch karakter krijgen.
Bovenstaande maakt volgens mij duidelijk waarom het kosmopolitisme een noodzakelijk streefdoel is voor deze tijd. De drie vormen van kosmopolitisme zijn levensnoodzakelijk om belangrijke politieke, sociale en economische problemen het hoofd te bieden. Willen we immers niet allemaal een oplossing vinden voor het terrorisme van Al Qaeda? Willen we niet allemaal dat we onze aarde kunnen behoeden catastrofes en rampen ten gevolge van de verandering van ons klimaat en de verloedering van ons leefmilieu? Vinden we niet allemaal dat boeren in Zuid-Amerika het recht hebben op een menswaardig leven? Vinden we ook niet dat we als Europeanen meer moeten investeren in Afrikaanse weeskinderen dan in onze koeien? En ten slotte, vinden we het niet noodzakelijk om ons te verzetten tegen religieuze fanatici die hun vrouwen met een boerka op straat willen doen rondlopen om hun familiale eer hoog te houden?
Vijanden van het kosmopolitisme
Toch heeft het kosmopolitisme nog vijanden. Uiteraard zijn er de Moslimfundamentalisten die hun samenlevingen willen isoleren van de wereld. In Iran probeert Mahmoud Ahmadinejad zelfs om de internetaansluitingen aan de universiteiten te verbieden. Er zijn ook de populistische politici die zich eurosceptici noemen. Zij verzetten zich in landen over heel Europa tegen het proces van Europese integratie. Niet toevallig worden zij gesteund door krachtige landbouwlobby’s of vakbonden uit de publieke sector. De Britse politieke wetenschapster Margaret Blunden beweert dat de Franse en Britse vakbonden een bedreiging zijn voor de toekomst van de jeugd van Europa. Omdat ze vasthouden aan voorbijgestreefde principes van de territoriale natiestaat staan ze noodzakelijke hervormingen van ons politieke stelsel in de weg. Dat we dat moeten horen van een sociaaldemocratische denkster zou bij iedere (socialistische) vijand van het kosmopolitisme een belletje moeten doen rinkelen.
Een andere grote groep van tegenstanders van het kosmopolitisme zijn de nationalisten. Vaak vallen deze samen met de hierboven aangehaalde populisten, maar soms ook niet. Onder nationalisme versta ik groeperingen of politici die het proces van Europese integratie in de weg staan om hun eigen machtsposities te kunnen behouden of te versterken door in te spelen op de angstgevoelens en de onzekerheid van hun bevolking. In plaats van hun burgers de voordelen van de Europese integratie uit te leggen creëren ze onder hun burgers nog meer angst voor de moloch uit Brussel.
Graag wil ik besluiten met de Nederlander René Cuperus. Dat is een Nederlandse medewerker van de Wiardi Beckmann stichting in Amsterdam. Deze stichting is het politieke advieskantoor van de Nederlandse PvdA van Wouter Bos. Cuperus schrijft een merkwaardig essay over de huidige toestand van Europa. Dit artikel is een verwerking van een toespraak die door hem werd gehouden op een wetenschappelijke conferentie van Europese sociaaldemocraten in de herfst van 2005 in Wenen. De bijdragen van de deelnemers aan deze conferentie zijn nu verzameld in een bundel die ik gerecenseerd heb in de Internationale Spektator. Als enige sociaaldemocraat in het boek, dat in totaal 14 essays bevat, bepleit Cuperus een stopzetting van het Europese integratieproces. Om de huidige economische en sociale problemen aan te pakken moeten politieke beslissingen volgens hem opnieuw worden genomen op het niveau van de nationale staten. Volgens hem is de Europese Unie een project van kosmopolitische intellectuelen die iedere voeling met de burgers hebben verloren. De EU is in zijn analyse de belangrijkste oorzaak voor de opkomst van nieuwe vormen van nationalisme doorheen Europa. Opmerkelijk zijn de sneren van Cuperus naar de kosmopolitische intellectuelen die alle voeling verloren hebben met de burgers van de Europese landen. Volgens hem leven de kosmopolieten met hun hoofd in de wolken en zijn ze ronduit dilettant geworden. Het proces van Europese integratie beschrijft hij als een op hol geslagen trein die zijn passagiers geen mogelijkheden biedt tot afstappen. De passagiers zijn uiteraard de burgers van de lidstaten van de Europese Unie.
De visie van Cuperus staat volgens mij symbool voor de afkeer die veel mensen hebben van het kosmopolitisme. Het wordt door veel mensen aanzien als een hersenspinsel van intellectuelen en politici die vanuit een ivoren toren kritiek spuien op de territoriale natiestaten en hun burgers. Kosmopolieten worden voorgesteld als wereldvreemde mensen die ingaan tegen het belang van het gewone volk. Ik heb in dit essay aangetoond dat het tegendeel waar is. Kosmopolieten zijn begaan om de toekomst van de mensheid en de liberale open samenleving. Het zijn de tegenstanders van het kosmopolitisme die leven in een ivoren toren en hedendaagse politieke ontwikkelen negeren. Zij verdedigen de status quo ten koste van alles en zetten de ontwikkeling van onze samenlevingen op het verkeerde spoor.
We kunnen dus besluiten dat de vijanden van het kosmopolitisme nog steeds talrijk aanwezig zijn. Op basis van mijn analyse in dit essay kunnen we besluiten dat deze vijanden de economische welvaart en zelfs het fysieke voortbestaan van onze planeet in gevaar brengen. Het volstaat hier om het citaat van Zygmunt Bauman nogmaals te herhalen : er bestaan geen lokale oplossingen voor globale problemen. De enige manier om in de 21ste eeuw adequaat aan politiek te doen is door het invoeren van kosmopolitische politieke structuren zoals we die vinden bij Ulrich Beck en David Held. Ten tweede vereist een leefbare pluralistische samenleving dat we het culturele kosmopolitisme omarmen. Dit heb ik aangetoond aan de hand van de visies van Salman Rushdie zoals die naar voren komen in zijn roman De Duivelsverzen. Ten slotte lijkt het me dat we als mensen met een geweten het rechtsvaardigheidskosmopolitisme van Nussbaum moeten aannemen. Of bestaan er dan echt mensen die ’s avonds goed kunnen slapen terwijl ze weten dat er aan de andere van de wereld duizenden kinderen aan het sterven zijn omdat zij de pech hebben gehad om niet geboren te worden in het westen?
Andrades, C. (2007a). Essay: De Overlappende Consensus van de Open Samenleving. Liberales Nieuwsbrief 159, 2 februari 2007
Andrades, C. (2007b). Sociaaldemocratie en de ontwikkeling van de Europese Unie: de Derde Weg van Giddens bepaalt de agenda. Internationale Spectator, Jaargang 61, nummer 3/Maart 2007
Ash, T.G. (2004). Free World. Why a Crisis of the West reveals the Opportunity of our Time. London: Allan Lane
Bauman, Z. (2002). Society Under Siege. Cambridge: Polity Press.
Bauman, Z. (1998). Globalization. The Human Consequences. Cambridge: Polity Press.
Beck, U. (2006). Cosmopolitan Vision. Cambridge: Polity Press.
Beck, U. , Giddens, A. (2005). Nationalism has now become the enemy of Europe’s Nations, The Guardian, 4 oktober 2005
Blunden, M. (2006). Britain and France: Social Reform And Styles of European Leadership. In: R. Cuperus, K. A. Duffek, E.
Fröschl, T. Mörschel (Eds.) The Eu. A Global Player? (pp.117-128). Münster: LIT Verlag.
Castells, M. (1996). The Information Age: Economy, Society and Culture. The Rise of the Network Society. Oxford and Malden: Blackwell.
Cuperus, R. (2006). Europe and the Revenge of National Identity. In: R. Cuperus, K. A. Duffek, E. Fröschl, T. Mörschel (Eds.) The Eu. A Global Player? (pp.129-144). Münster: LIT Verlag.
Friedman, T. (2005). The World is Flat. A Brief History of the Twenty-First Century. New York: Farrar, Straus and Giroux.
Held, D. (2005). Globalization: The Dangers and the Answers. In: D. Held (Eds.) Debating Globalization. (pp. 1-36) Cambridge: Polity Press.
Held, D. (1995). Democracy and the Global Order. From the Modern State to Cosmopolitan Governance. Cambridge: Polity Press.
Nussbaum, M.C. (2006). Frontiers of Justice. Disability, Nationality, Species Membership. Cambridge: Harvard University Press.
Ohmae, K. (1995). The End of the Nation-State: The Rise of Regional Economies. New York: HarpersCollins.
Opello, W. , Rosow, S. (2004). The Nation State and Global Order. A Historical Introduction to Contemporary Politics. London: Lynne Rienner Publishers.
Rushdie, S. (1981/2001). De Duivelsverzen. (Vertaald: Marijke Ermeis). Amsterdam: Uitgeverij Contact.
Singer,P. (2002). One World. The Ethics of Globalization. New Haven: Yale University Press.
Zakaria, F. (2005). The World is Flat: The Wealth of Yet More Nations, The New York Times, 1 mei 2005.
Gepost: juni 6th, 2007 onder Kosmopolitisme, Geschiedenis, Europa, Zygmunt Bauman door Christophe Andrades.
Comments: 3
Comments
Comment from Arnoud Kulk
Time: 30/06/2007, 15:45
Ik ben het grotendeels eens met deze uiteenzetting en vind dit dan ook een helder artikel. Ik heb echter een vraagteken bij de bespreking van de (inderdaad meest gehoorde) kritiek t.a.v. ontwikkelingen van de Europese Unie. Het mist volgens mij de mogelijkheid dat mensen (zoals ik) destijds niet hebben tegengestemd omdat ze tegen deze ontwikkelingen zijn maar omdat ze vinden dat ze een essentieel democratisch tekort bevatten.
Ik wil heus, als een echte kosmopoliet zou je kunnen zeggen, de ontwikkelingen tot Europese eenwording steunen. Deze zijn inderdaad noodzakelijk, mits er sprake is van een reëele democratische controle-mogelijkheden. Bij de voorstellen voor de Grondwet waren die te summier volgens mij. Momenteel (en ook in de betreffende voorstellen) mag het Europees Parlement slechts op deel-(beleids)terreinen invloed uitoefenen volgens de omslachtige medebeslissingsprocedure. Daarnaast heeft de burger geen invloed op de (uiteindelijke) benoeming van de leden van de Europese Commisie en kan het parlement deze alleen in zijn geheel naar huis sturen; wat dus zelden gebeurt maar wel de ondoorzichtigheid van de benoemingsprocedure van de commisie vergroot.
Kosmopolistisme is mijns inziens ook (vooral) dat mensen hun keuze(s) en visie(s) vrij van inmenging van anderen kunnen vormen en daarna dan ook daadwerkelijk kunnen laten meetellen. Democratie is daarmee onlosmakelijk verbonden aan kosmopolitisme en een voorwaarde voor de ontwikkeling van een daadwerkelijk kosmopolitische organisatie. Kortom er zijn ook eurosceptici die wel kosmopolitisch zijn.
Volgens Popper is het belangrijkste criterium voor een democratie de mogelijkheid van het volk (lees parlement) om de machthebber(s) naar huis te sturen als ze het te bont maken. Mensen hebben niet direct moeite met de (houding van de) elite maar hebben volgens mij vooral moeite met (het gevoel van) de onmogelijkheid dit criterium (enigzins) direct toe te kunnen passen en zo de machtsverhoudingen tussen de elite en het volk (enigzins) in evenwicht te houden. Vooral als het de acceptatie van een Grondwet (of een verdrag met een nagenoeg gelijke betekenis) betreft mag je dit verwachten. Het is dan ook triest om te zien dat de zogenaamde elite niet in staat is om dit in te zien en daadwerklijk daadkracht, visie en lef te tonen om zich als echte kosmopolieten open en contoleerbaar op te stellen. Als dat niet lukt is het vrijspel voor de door u genoemde nationalisten.
Ik vind het derhave jammer dat het nieuwe Europese Verdrag, met name als verandering (gepresenteerd als winstpunt door de Nederlandse regering) heeft dat de nationale parlementen meer invloed/ inspraak hebben bij beleid en beslissingen van en binnen ‘Europa’ terwijl bij die beleidsterreinen die daarvoor in aanmerking komen juist MEER Europa nodig hebben. Maar dan wel echt democratisch, anders is het een wassen neus en kunnen we niet gezamelijk bepalen wat deze kosmopolitische organistie op welke wijze gaat aanpakken zodat zij geloofwaardig blijft/ wordt. Met andere woorden: ik ben voorstander van overheveling van bevoegdheden op die beleidsterreinen die redelijkerwijs beter op Europees niveau kunnen worden afgehandeld (dus ook minder inmenging van de Raad). Daarbij dient dan wel een directe(re) vorm van democratie op Europees niveau te worden gerealiseerd. Daarme ben ik de facto een voorstander van europa die tegenstemde.
Ook als mij/ons dat geld kost ben ik bereid om deel te nemen aan het Europese project. We moeten immers niet vergeten dat Nederland (heel West Europa) na de Tweede Wereldoorlog nergens was zonder Marshall hulp. Nu is het onze beurt om te helpen. Maar dan wel democratisch graag.
Dit kan op verschillende manieren. Laten we eens beginnen om mensen serieus te nemen door goede voorlichting te geven in plaats van doemscenario’s van de toekomst te schetsen (onlangs nog Radio1 notabene!!!) en mensen hierover zelf te laten stemmen, want misschien (waarschijnlijk) vertegenwoordig ik wel een minderheid … Ze moeten maar durven…
Met vriendelijke groeten,
Arnoud Kulk
30 juni 2007
Comment from anne berk
Time: 01/02/2008, 13:37
Ik ben erg blij met uw doorwrochte artikel. (Maar wie bent u? Ik zie de auteursnaam niet) En ik deel uw visie. Ik werk zelf als kunstrecensent voor onder meer het Financieele Dagblad en was nu bezig met een recensie over het Cosmopolitan Chicken Project van Koen VanMechelen in Museum Het Valkhof (t/m 29 juni). Moet u vooral zien!
Levende have die de kosmopolitische gedachte illustreert!
Verder was ik geschokt bij het debat over de kunstbegroting in de Tweede Kamer (17-12-07) waarin het CDA ‘een offensief voor Hollandse Volkscultuur aankondigt. De site volkscultuur.nl wordt al gesubsidieerd! Een teken aan de wand! Ik schreef er een kort stuk over voor Kunstbeeld, dat u hieronder vindt. Het wordt tijd dat de kosmopolieten van zich laten horen…
Kantklossen of kunst?
Ik heb slecht geslapen vannacht Het is zo vreemd om te merken dat datgene waar het in de kunstwereld maanden over ging, namelijk de herverdeling van de gelden van het Fonds en het uitkleden van het beurzensysteem, bij de debatten over de kunstbegroting niet eens ter sprake kwamen.
Het CDA brak een lans voor ‘een volkscultuuroffensief'’! En PvdA heeft het over het behouden van immaterieel erfgoed, zoals de Elfstedentocht, Koninginnedag, Sint Maarten, de merklap en de harmonieorkesten! Moeten we dan Koninginnedag gaan subsidiëren en zo ja,
waar moet dat geld dan vandaan komen? Van de budgetten voor beeldende kunstenaars?
Het zijn niet alleen de kunstinstellingen en kunstmakelaars die het kunstbudget opslokken, maar ook de amateurkunst, cultureel erfgoed, en straks ook nog volkskunst!
Het hele klimaat zindert van conservatisme, van het krampachtig zoeken naar wat al vervlogen is. Van een je vastklampen aan een nationale identiteit…
Ooit schreef ik een artikel over klederdracht en daar heb ik veel van geleerd. Wat bleek? Wat te boek staat als ‘Hollandse’ klederdracht is multiculti avant la lettre. Zo heeft de Hindelooper Wentke, een soort lange jas, een bies die is ontleend aan de kimono’s die de Nederlanders kado kregen als ze bij de Shogun op visite gingen. En de paisleymotieven waren afkomstig uit India, evenals de katoen. Deze Hindelooper Wentke is dus Fries, maar tegelijk een smeltkroes van invloeden. Zo is ons Delftsblauw ontstaan als imitatie van Chinees porselein en de tulp geïmporteerd uit Turkije, terwijl de aardappel uit onze stamppotten uit Latijns-Amerika komt.
Identiteit is vloeiend, voortdurend in beweging, en het is gevaarlijk als mensen dat willen vastpinnen op begrippen als Hollandse Volkscultuur. Zo werd de klederdracht in de 19de en begin 20ste eeuw ingezet om het nationaal bewustzijn te versterken in een periode van natievorming. Over de Blut-und Bodentheorieën hoef ik niets te zeggen. Inherent aan het benadrukken van je identiteit is het je onderscheiden van anderen. Insluiten betekent ook uitsluiten. Wordt het versterken van de nationale identiteit nu ingezet in de Clash of Cultures?
Interessant is dat er ook bij kunstenaars sprake is van een herwaardering van tradities en van rituelen en gebruiken. De geatomiseerde netwerksamenleving heeft zijn keerzijde, iedereen is op zoek naar geborgenheid, naar een plek uit de wind van de globalisering. en dat zie je in hun werk terug. Zo heeft Gijs Frieling in zijn Paradijsschilderijen motieven uit de Hindelooper schilderkunst verwerkt. Lucy Sarneel gebruikt stoffen uit de klederdracht in haar sieraden. En Hella Jongerius ontwierp een servies in samenwerking met de Friese aardewerkindustrie waarbij als veelzeggend detail, de traditionele motieven tot fragmenten zijn gereduceerd. Enzovoorts.
Kunstenaars herinterpreteren motieven, in plaats van te herhalen wat er is, zoals de ambachtsman doet. Ze herplaatsen tradities in de samenleving van vandaag en geven er nieuwe betekenissen aan en dat is wezenlijk voor een dynamische cultuur. Kunst is het cultureel erfgoed van morgen. Dat is precies waarom we niet de klederdrachten of de kantklossers hoeven te steunen, maar kunstenaars wèl!.
Anne Berk
Comment from Peter Van de Ven
Time: 04/03/2008, 13:41
Persoonlijk vind ik kosmopolitisme geen positief begrip, wegens niet-humanistisch.
Kosmopoltisme bekijkt de wereld in space-shuttle-perspectief, als één stad en één regering.
Jean Bodin was een uitgesproken anti-humanistisch denker die de godsdienstvrijheid verwierp en het katholicisme zag als noodzakelijk complement van absoluut staatsgezag. Dwz Jean Bodin wordt verkeerdelijk omschreven als “tolerant”.
Universalisme verbindt daarentegen de mensen van “onderuit”, vanuit hun gemeenschappelijkheid en behoeften, als deel van de natuur. Ik verkies dus dit “universalistisch-ecologisch humanisme” boven een “eurocentrisch-antropocentrisch kosmopolitisme”.
Ik vraag me daarbij ook af of het correct is Martha Nussbaum en bv Amartya Sen als “kosmopolitisch” te omschrijven, want zij vertrekken van “capabilities”, een menselijke eigenschap, geen bestuurlijke.
Ik denk dan ook dat multiculureel burgerschap een adequatere invulling is dan “kosmopolitisch pluralisme”. Ik vind het begrip eigenlijk te verwant aan “actief pluralisme”, die een nieuwe religie van vandaag is en een nieuwe intolerantie van morgen zal zijn.
Peter Van de Ven
Schrijf een opmerking