De natuurlijke geschiedenis van de religie (David

review door: Dennis Vanden Auweele. reacties: 3 pdf print

Rond 1740 schreef David Hume zijn magnum opus ‘A Treatise of Human Nature’ dat lang niet het succes oogstte dat hij had verwacht. Zijn grote doorbraak kwam met zijn ‘An Enquiry concerning Human Understanding’ (1748) waar enkele essays in staan, zoals ‘Of Miracles’, die nog eeuwen lang zouden nazinderen.

In het nazweem van dit succes, schreef Hume zijn twee essays in de godsdienstfilosofie, namelijk ‘The Natural History of Religion’ (1757) en ‘Dialogues concerning Natural Religion’ (1779). Voor mij ligt de recenste vertaling van ‘The Natural History of Religion’ die, in grote mate, gebaseerd is op een vertaling die bij Agora/Pelckmans (1999) is uitgekomen. De meerwaarde op deze oudere vertaling betstaat vooral uit een reflectie op het woordgebruik, enkele grammaticale correcties en dan vooral de eerste Nederlandse vertaling van Hume’s essay ‘Of Superstition and Enthusiasm’. Wijlen Hume-kenner Patricia De Martelaere was, in haar colleges en daarbuiten, altijd vol lof van het filosofisch inzicht en de retorische kracht van deze essays. Zij laten een kant van de filosofie zien die zich met die Sache Selbst bezig houdt in de plaats van eindeloos aanmoddert over details. Het Nederlands taalgebied heeft lang en ongeduldig moeten wachten op de Nederlandse vertaling van deze essays en dit boek werkt tot de vervollediging van deze lijst.

In ‘The Natural History of Religion’ poneert Hume de stelling dat de religie niet ontstaan is door directe openbaring, maar eerder door vrees, hoop en het geloof in onzichtbare krachten. Deze ‘ware kern’ van de religie staat in schril contrast met het openbaringstheïsme dat, in Humes tijd, gangbaar was. Algemeen wordt aanvaard dat Hume het deïsme aanhangt: de goddelijke voorzienigheid heeft bepaalde mechanismen in de werkelijkheid geplaatst maar sinsdien zich volledig teruggetrokken. Op deze manier kan het licht van de menselijke rede tot de godheid komen hoewel dit licht vaak overschaduwd wordt door allerhande bijgeloof. Hume stelt, een veertig-tal jaar voor Kant dit zal doen, dat de ware kern van de religie moraliteit is. Op deze manier geeft hij een trap onder de gordel van het dominerend Christelijk wereldbeeld dat sterk op Openbaring berust. Instituties zoals Kerk en praktijken zoals sacramenten worden uitvoerig belachelijk gemaakt. Deze betoogtrant vervolgt in ‘Over bijgeloof en enthousiasme’ waarin Hume het lof zingt van enthousiasme tegenover bijgeloof. Terwijl de enthousiaste gelovige een eenheid in het goddelijke voorbij zichzelf zoekt (mysticisme), poogt de bijgelovige de welwillendheid van de godheid te winnen door aardse werken. Mystieke praktijken hebben altijd een marginale plaats in de kerkgeschiedenis ingenomen wat weeral een enorme klap in het gezicht van de geïnstituionaliseerde religie vormt. De vertaling is zeer behoorlijk en weldoordacht. De noten die hierbij voorzien worden zijn verhelderend, maar soms wat overbodig. De inleiding is van behoorlijk niveau, maar gaat vaak wat kort door de bocht in haar beschrijving van Hume. Het merendeel van de inleiding herhaalt louter Humes argument wat het tevens wat saai leesvoer maakt. Zij zorgt er wel voor dat dit werk een erg goede inleiding in een typisch Modern debat wordt tussen natuurlijk- en openbaringsreligie. De humeaanse methode (scepticisme) is grotendeels afwezig waardoor het werk wat minder academisch aanvoelt.

Mijn besluit: de vertaling is in orde en de tekst is erg belangrijk. Ik ben ervan overtuigd dat deze (verbeterde) vertaling een meerwaarde voor de (1) Hume-studie en (2) het filosofisch debat zal zijn.

David Hume, De natuurlijke geschiedenis van de religie. Gevolgd door Over bijgeloof en enthousiasme. Vertaald en ingeleid door Willem Lemmens en Walter Van Herck, Uitgeverij Klement, Zoetermeer, 2011. ISBN: 978 90 8687 080 6



Tags
hume, religie

Reacties (3)

-De moderne mens en vooral de jongeren zullen wel grotendeels akkoord gaan met de visie van Hume en Kant .
-Religie zal wel eerder een zaak van angst en van hoop zijn, eerder dan van openbaring ; en zal ook gezien worden als een basis voor ethiek of moraliteit .
-Maar heden ten dage, meent men meer en beter te weten en te kennen .
-En bijgevolg moet religie het afleggen tegen wetenschap en exacte kennis .
-Maar ook Kant kon het 'transcendente' niet loochenen ; zodat tenslotte een vorm van 'ietsisme' overblijft . Een logisch 'ietsisme', die het redelijke en logische als absoluut ziet ; en dat tevens een nieuwe basis voor onze ethiek en moraal kan worden .
-Maar niettemin blijven religie en zogenaamde openbaring historisch en symbolisch waardevol .
-Een eenheid in een vorm van 'ietsisme' zou ook aan vele 'godsdienst-twisten' een einde kunnen maken ...

   

Reactie op Valère
Maar behouden mensen dan niet de drang blijven om dit "ietsisme" in te vullen met concrete beelden (die wellicht alleen als metafoor zijn bedoeld) en zo moeten we dan weer een nieuwe religie invoeren..

Is het niet zo dat we via de rede tot ietsisme moeten concluderen we bemerken in ons denken immers dat er transcendente begrippen bestaan en dat de mens van nature een drang heeft de open ruimte die deze transcendente begrippen achter laten in te vullen met concrete verhalen/metaforen om zo het leven begrijpelijker te maken?

De mens heeft dus altijd een drang tot begrijpen en zal daarbij niet schuwen om over te gaan tot het aannemen van fundamenten van kennis die slechts op basis van geloven kunnen worden verantwoord.

   

Gelieve uw commentaren te laten aansluiten bij het artikel zelf. Willekeurige opmerkingen die niets met het artikel te maken hebben zullen worden verwijderd.

   

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie