Een geschiedenis van onze goden
Het boek begint in elk geval veelbelovend. In het eerste deel, zowat de eerste 100 pagina's, bespreekt Lenoir de primitieve wortels van het religieuze gevoel, zowel in de jager-verzamelaarculturen als in de eerste beschavingen (culturen als Mesopotamië, Egypte, de Maya's, en ga zo maar voort).
Het wordt al snel duidelijk dat Lenoir vooral informatie van verschillende bronnen en onderzoekers in dit boek wil samenbrengen, maar zijn bindtekst daartussen maakt van het geheel een goed te volgen verhaal. Interessant is hoe de ontwikkelingen hier ook laten zien hoe een mens met geweld en schuld anders leert omgaan, en hoe die andere manier niet noodzakelijk een verbetering is. De vele offers van de Maya's bijvoorbeeld worden begrijpelijk gemaakt via het zondebokprincipe. Dit principe wordt onhoudbaar in de meer 'beschaafde' godsdiensten die erna komen waar iedere gelovige gelijk is, maar zal in latere tijden ook de deur openen voor bekeringsoorlogen zoals de kruistochten...
Dit soort interessante denkpistes is echter, zonder aankondigingen, plots verdwenen als Lenoir met het tweede deel komt aanzetten. Hier start hij systematisch met een sneltreinbespreking van de diverse wereldgodsdiensten, beginnend bij het oosten (confucianisme, hindoeïsme, boeddhisme), om dan via de Griekse en Perzische cultuur over te gaan naar de monotheïstische godsdiensten (jodendom, christendom, islam). De lezer kan niet anders dan zich afvragen: waarom deze informatie, wat wordt hiermee bedoeld? Lenoir doet zijn best om de vertelling levendig te houden door zich niet te beperken tot de noodzakelijke informatie, en ook de diverse omwentelingen in de islam of het christendom voldoende te beschrijven. Maar voor wie niet zat te wachten op een algemene Inleiding in de godsdiensten, en die bovendien maar weinig extra's verteld ten opzichte van andere bronnen, blijft dit stuk, de overgrote meerderheid van het boek, een onnodig tijdverlies. Er wordt immers nergens, maar dan ook nergens een verband geschetst, een verklaring gegeven voor een bepaalde ontwikkeling van de ene religie zoals ze is, of wat het grote verschil is met een andere religie. Je kunt de hoofdstukken dus los van elkaar lezen.
Op het einde dan, na een bespreking van het animisme die met de paar pagina's waarop ze geschreven is te licht moet worden bevonden, wordt enigszins duidelijk wat Lenoir wil doen. Pas hier, in een conclusie die zo'n 30 pagina's duurt, betreedt Lenoir het voetlicht om zijn standpunt te tonen. Ook dat moet, helaas, te licht worden bevonden. Inderdaad stelt Lenoir dat er iets universeels voorkomt bij verschillende godsdiensten, en hij haalt het werk aan van Yves Lambert, die stelt dat de ontwikkeling van de levenswijze van de mens gelijk opgaat met de soort godsdiensten die hij beleeft. Voor Lenoir betekent dat zoveel als: naarmate de wereld meer onttovert, wordt ook de religiebeleving afstandelijker, abstracter, en de terugval naar new age, oosterse godsdiensten enzovoorts die we nu meemaken laat zien dat de mens toch liever iets meer 'tover' in zijn leven ziet. Ook dat verhaal is me bekend, en ik heb niet de indruk dat Lenoir er een nieuw licht opwerpt. Yves Lambert, die misschien wel. Dus dat is nog Lenoir's verdienste: dat hij weet te vertellen waar wel interessante informatie te vinden is. Jammer genoeg is daar niet veel van in zijn boek te vinden.
Frédéric Lenoir is filosoof en godsdiensthistoricus en werkt als onderzoeker aan de Ecole des Hautes Etudes et Sciences Sociales te Parijs. Het boek is verkrijgbaar bij Uitgeverij Halewijck of Uitgeverij Ten Have.
