Spinoza: de doornen en de roos
Spinoza maakt het zijn lezers niet gemakkelijk, maar Herman De Dijn evenmin. ‘Spinoza: de doornen en de roos’ is het laatste werk dat uit de filosofische pen van deze emeritus hoogleraar Moderne Wijsbegeerte is gevloeid. Het werk viseert de Nederlandstalige Spinoza-kenner en zal deze een rijkdom aan inzichten verschaffen omtrent de filosofie van Spinoza en de interpretatie ervan.
De Dijn behandelt een aantal felbediscussieerde thema’s in de Spinozistische filosofie, zoals de verhouding tussen Substantie en Attributen, het pantheïsme-debat en het rationalistische of mystische karakter van de kennis van de derde graad. Hij doet dit steeds op een heldere wijze die getuigt van een diepgaande vertrouwdheid, zowel met de primaire als de secundaire literatuur. De Dijn neemt op creatieve wijze een eigen positie in tussen gevierde Spinoza-kenners zoals M. Gueroult, B. Keckermann, R. Mason en T. Zweerman. Hij vermeldt er echter niet bij dat hij zichzelf mag roemen in dit illustere gezelschap.
De rode draad van het betoog van De Dijn kan samengevat worden als een lectuur van het oeuvre van Spinoza als een filosofische vertaling van de inzichten van de Moderne positieve wetenschap waarbinnen Spinoza op een queeste gaat naar het menselijke heil. Het menselijke heil valt hier samen met de filosofische kennis van de ‘derde graad’, of het intuïtief inzien van de ware metafysica (lees: Spinoza’s metafysica). Deze filosofische kennis van de derde graad brengt een amor intellectualis Dei tot stand óf een diepgaand welbevinden door het vergroten van kennis. De eigen grootsheid wordt gevierd in ogenschouw van de gloria Gods als Natura Naturans. De Dijn vraagt zich terecht af hoe een intellectuele liefde tot God als een onpersoonlijke naturende natuur, een persoonlijk welbevinden bij de filosofische mens tot stand kan brengen. Het intuïtieve besef van de eigen kleinheid in het aanschouwen van het grote radarwerk van de Substantie waarvan wij deel uitmaken leidt tot een “tedere aanvaarding van zichzelf en tot liefde voor de natuur – een natuur waarin ik altijd al was opgenomen maar waarin ik me nu dankbaar opgenomen weet.” (p 160)
Toch heeft De Dijn ook aandacht voor andere aspecten van de Spinozistische filosofie dan het heilsdenken vooral uit het 4de en 5de boek van de Ethica. Hij overschouwt ook de bijzonder complexe Spinozistische filosofie waarin hij probeert de lezer bij de hand te nemen doorheen de vele valkuilen van het moeilijke jargon van deze uit de Synagoge verbannen Joodse denker. De eerste technische hoofdstukken waarin De Dijn bijzonder enigmatische vraagstukken behandelt omtrent Spinoza’s metafysica en kenleer zal menig lezer ontmoedigen. De zoete vrucht wordt evenwel verder in het werk gevonden: vanaf het 5de hoofstuk wordt rminder nadruk gelegd op het technische aspect van de filosofische analyse en komt de existentiële en morele dimensie van Spinoza’s denken meer aan bod.
De Dijn behandelt bijzonder uitvoerig Spinoza’s positieve appreciatie van de illusoire religie als ersatz voor de filosofische kennis van de derde graad. Spinoza wist dat een wereld vol filosofen geen optie was en pleitte voor een religie die, ondergeschikt aan de staat, het menselijke heilsstreven verbindt met een persoonlijke God die beloont en straft. Spinoza verstond de menselijke nood aan illusies, in het bijzonder inzake diepe en belangrijke materies. Meer dan 200 honderd jaar na de postuum uitgegeven Ethica kwam Nietzsche in zijn Fröhliche Wissenschaft tot dezelfde conclusie ‘Alles was tief ist liebt die Maske’. Nietzsche beschouwde zichzelf, in een brief aan zijn vriend E. Rohde, als de ware erfgenaam van Spinoza omdat ook hij besefte dat alles wat gebeurt, noodzakelijk gebeurt alsook dat dit niet geregeld wordt door een persoonlijke God maar door een amorele kracht; én dat vele mensen dit inzicht niet kunnen dragen. Daarom moet de heerser in staat zijn de nobele leugen uit te spreken: de leugen heiligt zich wanneer deze het goede geweten aan zijn kant heeft.
Terwijl De Dijn een grote sympathie heeft voor deze positieve waardering van religie, zowel als een politiek machtsinstrument als een menselijke pijnstiller, kunnen we toch tussen de regels door een zekere verbolgenheid omtrent de verwerping van de waarheidsaanspraken van religie, lezen. Misschien laat De Dijn nog een sprankeltje hoop bestaan omtrent een hogere vervulling van de mens voorbij zijn filosofische eindbestemming?
De ondertitel ‘De doornen en de roos’ verwijst ongetwijfeld naar het embleem van Spinoza zelf, maar De Dijn wil hiermee nog iets anders benadrukken. Hiertoe laten we tenslotte deze eigenwijze denker zelf aan het woord:
“De doornen en de roos wijst op het embleem van Spinoza zelf, maar hij duidt ook op de volgens hem onvermijdelijke doornen op de tocht naar de roos van het inzicht. Hij vertrekt van de harde confrontatie met wat ogenschijnlijk alleen maar negatief kan zijn: wij zijn niet vrij, niet gewild; er is geen persoonlijke God die ons het heil aanreikt, geen persoonlijke onsterfelijkheid. En toch is er ondanks die doornen iets mogelijk als de roos, de roos van het heil bestaande in een bepaalde blik op en aanvaarding van zichzelf als expressie van de God-Natuur die zich doelloos in alles uitdrukt. Dàt is het unieke en het wonderlijke van Spinoza.” (Interview ‘Campuskrant’)
Herman De Dijn, Spinoza: de doornen en de roos, Kapellen: Pelckmans, 2009, 195 pag, ISBN 9789028952966

