Over Aristoteles, publieke ruimte en ‘Filosofie.VL’

In de blog: De Neo-Cynicus reacties: 5 pdf print

In dit artikel schetst Andreas Lauwers a.k.a De Neo-Cynicus de vergelijkbaarheid van polis en stad binnen een actueel gesitueerd kader...

... en vraagt hij zich post scriptum af of zoiets als Filosofie.BE wel geldig is indien het een exclusief Nederlandstalig platform blijkt.

Inleiding

Rond 1900 leefde 10 procent van de wereldbevolking in steden. Honderd jaren later is dit opgelopen tot 50 procent (3 miljard mensen). Het aantal stedelingen kan in 2025 zijn opgelopen tot 5 miljard. Ook in België is de zogenaamde ‘verstedelijking’ onmiskenbaar. In het Witboek Stedenbeleid van de Vlaamse Overheid leest men bijvoorbeeld: “Vlaanderen is één verstedelijkt gebied met een netwerk van stedelijke verknopingen”. Het is natuurlijk de vraag wat met ‘verstedelijking’ bedoeld wordt.

Laten we daarom even teruggaan naar 1976. Toen beschreef de Texaan Martin W. Allen een van de eerste meetbare noties van zoiets als ‘verstedelijking’ in zijn doctoraatsthesis “The Conceptualization and Measurement of Urbanization”. Allen vond inspiratie voor zijn studie in de gedachte dat verstedelijking niet los kan gedacht worden van stedelijkheid als levenswijze. Deze levenswijze treft men immers aan, aldus Allen, in grootsteden. Vandaar dat verstedelijking bij Allen steeds begrepen wordt als een versterking van een bepaald ‘stedelijk’ gedragspatroon van burgers, naast de - voor vele lezers waarschijnlijk evidentere interpretatie - materiële invulling van ‘verstedelijking’ als uitbreiding van het stedelijk weefsel.

Waarom Allen zo interessant is om de verschijning van de term ‘verstedelijking’ te duiden, volgt uit zijn overzeese, Europese inspiratie. Zowel de notie van een stedelijke levenswijze als de notie van grootsteden vond Martin immers naar eigen zeggen in Georg Simmel’s ‘Die Großstädte und das Geistesleben’ uit 1903. Allen’s term ‘bulk city’ beoogt zelfs een directe vertaling te zijn van Simmel’s ‘Großstädte’ (wij vertalen met ‘grootstad’). Zodoende ontstaat een eerste, zeer algemene, benadering van wat met ‘verstedelijking’ bedoeld wordt: de vergroeiing van de samenleving tot grootsteden met een bijhorend stedelijk gedragspatroon tot gevolg.

Vanuit filosofisch standpunt is deze grootstedelijke vergroeiing van de samenleving zeer opmerkelijk. Neemt men bijvoorbeeld Aristoteles’ zoön politikon au-serieux, dan zou verstedelijking impliceren dat er niet alleen stedenbouwkundig een grotere complexteit ontstaat met de verschijning van grootsteden, maar ook dat er een groei zou zijn qua ‘goedheid’ van de burger. Waarom? Herinner, voor Aristoteles is de polis constitutief voor de vervulling van de menselijke vermogens zonder meer. De finaliteit van de polis, aldus Aristoteles, is niet louter het samen-leven toutcourt, maar steeds ook het goed-leven, en al de zaken die het samen-leven mogelijk maken zijn er ter wille van dat doel. In die zin impliceert ‘verstedelijking’ daarom dat meer en meer burgers in de samenleving steeds meer de kans krijgen om een deugdzame mens te worden. Maar is een moderne grootstad vergelijkbaar met een antieke polis? Waarschijnlijk niet. Een stad is geen polis. Of toch wel?

Ondanks duidelijk verschillen tussen een moderne grootstad en een antieke polis wordt Aristoteles’ Politeia vaak aangehaald omwille van zijn beschrijving van universeel geldend geachte principes van de samenleving. Veelal maakt men dan avances door een transhistorische norm te distilleren uit zijn onderscheid tussen het samen-leven en het goede-leven. Laten we daarom nog eens kort dit aristoteliaanse onderscheid bekijken, vooraleer elke vergelijkbaarheid tussen stad en polis bij voorbaat op te geven.

Het samen-leven en het goede-leven

Voor Aristoteles bestaat een polis “uit de gemeenschap van geslachten en dorpen in een volmaakt en autarkisch leven”. Deze levenskwaliteit (‘volmaakt en autarkisch’) bestaat volgens Arisoteles in “het leiden van een gelukkig en schoon leven”. “Daarom”, in de woorden van Aristoteles, “moet geponeerd worden dat de polisgemeenschap bestaat ter wille van schone daden [d.w.z. daden die tot een volmaakt en autarkisch’ bestaan leiden – A.L] en niet ter wille van het samen-leven." Bref, het polis-gehalte van de antieke polis is gelegen in diens finaliteit als gericht op het goede-leven, als kers op de taart van het samen-leven. Zonder deze kroon op de loutere samen-leving kan er volgens Aristoteles geen sprake zijn van een polis.

Polis = stad ?

Stel dat men akkoord gaat met deze stelling van Aristoteles, - de stelling dat een samenleving pas écht een samenleving kan zijn als ze op meer is gericht dan enkel het samen-leven, maar ook en vooral op het goede-leven, zonder de voorwaarden te negeren die haar mogelijk maken, met name, het samen-leven - , geldt dit dan ook voor een grootstedelijke vergroeide samenleving, zoals wordt aangegeven met de moderne notie van ‘verstedelijking’?

In de literatuur wordt deze vergelijking meestal niet gemaakt: ‘verstedelijking’ wordt vooral gebruikt om de geografische uitbreiding van het stedelijk weefsel aan te geven en/of de demografische groei van het aantal stedelingen te duiden binnen of buiten dit weefsel. Verstedelijking lijkt dus in eerste instantie niets te maken te hebben met ‘vermenselijking’ in aristoteliaanse zin. Het wijst vooral op een stedenbouwkundig complexer wordende samenleving, waarbij de ‘goedheid’ van de burger geen parameter is. Levenskunst lijkt voor vele auteurs geen noodzakelijke voorwaarde om te spreken van een metropool. Dit is misschien echter niet het laatste woord.

Mogelijk is een vergelijking van stad en polis immers toch vruchtbaar, gezien Aristoteles’ valorisatie van het samen-leven als mogelijkheidsvoorwaarde van het doel van de samenleving: het goede-leven. Volg even mee wat Aristoteles hierover zegt: "Het is dan zonneklaar dat de polis geen gemeenschap van (woon)plaats is, of (bestaat) met het oog op het elkaar geen onrecht aandoen of op de ruil: deze zaken zijn weliswaar noodzakelijke (voorwaarden) die aanwezig moeten zijn, wíl er een polis zijn, maar toch is er nog geen polis zelfs wanneer al die (voorwaarden) aanwezig zijn. Die is er pas met de gemeenschap, door zowel huishoudens als geslachten, in het goed-leven ter wille van een volmaakt en autarkisch bestaan”.

Met andere woorden: voor zowel gezinnen, mannen en vrouwen geldt volgens Aristoteles dat zij zich in een polis richten op een bestaan waarin zij hun eigenheid volledig ontwikkelen (volmaakt) en zo min mogelijk afhankelijk zijn van anderen (autarkisch). Dit maakt het verschil ten opzichte van gezinnen, mannen en vrouwen die zich niet richten op de volledige ontwikkeling van de essentie van hun bestaan en/of niet gericht zijn op het zo min mogelijk afhankelijk zijn van anderen.

In het laatste geval is men dan eerder bezig met, ietwat simplistisch gesteld: burenruzies, familiedisputen en/of handelsconflicten. Maar niet met de essentie. Echter, het essentiele streven naar de ontwikkeling van diens eigenheid lukt evenzeer ook niet door de wereldse zorgen, die volgen uit het samen-leven, te negeren. Maar dat streven naar het goede-leven valt niet te herleiden tot de zorg voor de wereldse samenlevingsproblemen. Het goede-leven superveniëert op het samen-leven. Kortom, ook in een moderne grootstad die louter gericht is op het samen-leven, zou er een gemeenschappelijke gerichtheid op het goede-leven verschijnen. Voilà: dát is wat met Aristoteles gezegd kan worden (Claude Lefort zal daar overigens later van maken, met een psychoanalytische insteek, dat 'macht' spontaan opborrelt uit de samenleving).

Superveniëntie en essentialisme

Bovendien vindt men bij Aristoteles een verklaring voor de superveniëntie van het goede-leven op het samen-leven. Inherent aan de menselijke natuur, aldus Aristoteles, is immers diens gerichtheid op het goede-leven en daarom ook op de constitutie van hetgeen die gerichtheid mogelijk maakt, met name, een samenleving die op meer gericht is dan op samen-leven alleen. Zodoende zou ook een moderne grootstad uiteindelijk gericht kunnen worden op het goede-leven, omdat diens burgers niet anders kunnen dan zelf - per natura - ook gericht te zijn op het goede–leven. De mens is immers voor Aristoteles een politiek dier. Een zoön politikon.

Trekt men deze essentialistische verklaring (de aristoteliaanse verklaring van de superveniëntie van het goede-leven op het samen-leven) sans gêne door tot op de hedendaagse samenleving, dan zou ook de hedendaagse mens een politiek dier zijn. En ook de stedelingen in een grootstad. Zo komen we enigszins tot een update van die andere, beroemde stelling van Aristoteles: goede mensen maken een goede samenleving - zij het in de antieke polis, zij het in de moderne grootstad. De polis moet daarom zo georganiseerd worden dat de menselijke natuur diens volmaakte ontplooing kan vinden, wat men, aldus vele auteurs, terugvindt in de prindipes van de Politeia.

Als dit alles inderdaad ook opgaat voor de moderne grootstad, dan moet ook deze natuurlijk zo georganiseerd worden opdat de menselijke natuur ten volle ontwikkeld kan worden. De vraag wordt dan: indien verondersteld wordt dat de mens inderdaad een politiek dier is, hoe dient men dan moderne grootsteden te organiseren opdat het zoön politikon volledig tot uiting kan komen?

Realpolitik

De vraag is nu of en hoe die mogelijkheid omgezet kan worden tot realiteit: hoe overstijgt de levenswijze in een grootstad de dimensie van het louter samen-leven, om te komen tot zoiets als een goed-leven? Zoals we meteen zullen zien betreft deze vraagstelling de kweste van de rol van de publieke ruimte binnen de samenleving.

Eenzelfde onderscheid tussen het louter samen-leven en het goede-leven laat zich immers traceren in het Vlaams-Nederlandstalige academische, actuele debat over de functies van de openbare ruimte. Hiervoor moeten we teruggaan naar 2001 en wel naar Nederland. Zo zullen we dan uiteindelijk komen tot de actuele situatie van het debat en tot de relevantie voor de vraagstelling die ons hier bezighoudt: hoe kan er sprake zijn van goed-leven binnen de grootstedelijk vergroeide samen-leving?

Symptoom van het debat: 2001, Nederland

In 2001 publiceerde de huidige directeur van het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving Maarten Hajer samen met stadssocioloog Arnold Reijndorp het boek “Op zoek naar nieuw publiek domein. Analyse en strategie”. Hierin stelden zij de toen geldende denkwijzen en beleidskeuzes omtrent openbare ruimte ter discussie. Naast het bekritiseren van diverse ‘discourses’ trachtten zij een nieuwe (positieve) cultuurpolitiek te ontwerpen voor de ontwikkeling van openbare ruimten. Opvallend was hun pleidooi voor een duidelijk onderscheid tussen ‘publiek domein’ en ‘openbare ruimte’.

Wat dat onderscheid juist inhoudt, komt hier niet meteen aan bod. En als u het toch moet weten: in grote lijnen valt het samen met het aristoteliaanse onderscheid tussen samen-leven en goed-leven. Waar we verder ook niet op ingaan is de reden waarom Hajer en Reijndorp’s onderscheid anno 2001 eigenlijk een verfrissende wind bracht in het landschap van het denken van de stedelijke cultuur en de implicaties van hun denkoefening voor het stedelijk beleid.

Er is immers, anno 2012, nog een andere, meer actuele, reden die Hajer’s en Reijndorp’s onderscheid opvallend maakt. Het aristoteliaans aandoende voorstel van beide Nederlanders om een onderscheid in te stellen tussen ‘publiek domein’ en ‘openbare ruimte’ lijkt namelijk goed van pas te komen bij de ontwikkeling van het Vlaamse stedelijke beleid en haar nieuwe instrumentarium. Niet alleen in Nederland was men tijdens de milleniumwende op zoek naar een nieuw denken over de stad.

Het Vlaamse debat sinds 2000

Gelijklopend met de publicatie van 'Op zoek naar een nieuw publiek domein' startte er op Belgisch grondgebied in december 2000 in opdracht van de Vlaamse overheid, met de woorden van Paul Van Grembergen, toenmalig Vlaams minister bevoegd voor Stedenbeleid, een “intens proces”. Dit proces mondde drie jaar later uit in de publicatie van het zogenaamde Witboek Stedenbeleid, kernachtig getiteld: ‘De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden’. Naast de gedurfde focus op de stad als nieuw en onvermijdelijk ankerpunt van de hedendaagse samenleving, sprong ook de motivatie tot een langetermijnsvisie in het oog. Een perspectief van twintig jaar werd vooropgesteld als basis voor een visie op de gewenste evolutie naar meer dynamische, evenwichtige en leefbare steden.

Anno 2012 zijn we min of meer in de helft van die termijn. Vandaar dat het des te opvallender is wanneer het recentste beleidsinstrumentarium, voortkomend uit het "intense proces" dat startte met ‘Eeuw van de stad’, nog steeds gaten vertoont. Dit is op zich natuurlijk niet zo vreemd. We zijn immers nog maar halfweg. En eveneens: zoals bij zovele beleidsinstrumenten bestaat hun nut grotendeels net in de continue aftoetsing aan de huidige situatie. Beleidsinstrumenten zijn nooit ‘af’. En in die zin is er dan ook reeds enorm veel werk geleverd, chapeau!.

Het punt is eerder dat er in - wat misschien wel het meest indrukwekkende, stedelijk beleidsinstrument mag genoemd worden - de Stadsmonitor (het instrument dat ontstond op basis van voornoemde publicatie) enkele gaten zitten die mogelijk tien jaar eerder ingevuld konden worden aan de hand van een doordenken van het denkwerk van onze Noorderburen. Uit respect voor de gestelde termijn inzake beleidsmaatregelen is er daarom misschien wel een actuele reden om Hajer’s en Reijndorp’s aristoteliaans aandoende onderscheid nog eens onder loep te nemen.

Echter, evenzeer is het boek van beide Nederlanders, en de stellingen die er in vervat zitten, ook tien jaar ouder. Daarom vraagt een kritische benadering van de aristoteliaanse vruchtbaarheid van Hajer en Reijndorp’s onderscheid tevens een update van dit onderscheid ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen in het debat over publieke ruimte en haar lotgevallen. We beginnen met de vermelde ‘gaten’ in de Stadsmonitor 2011. Daarna gaan we ten aanzien van die ‘gaten’ in op de actuele revisie van de geijkte constitutie voor en door het zoön politikon.

De Stadsmonitor

De Stadsmonitor is een beleidsinstrument van de Vlaamse overheid dat de ontwikkelingen beschrijft in dertien Vlaamse steden. Het zijn de steden waar het Vlaamse stedenbeleid zich primordiaal naar richt: de grootsteden Antwerpen en Gent en de steden Aalst, Brugge, Genk, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout.

Laatstgenoemde steden worden omwille van hun functie in het Vlaamse stedenbeleid benoemd als centrumstad. De Stadsmonitor beschrijft de ontwikkeling van de genoemde steden door middel van een lange-termijnsvisie en korte-termijnsindicatoren die voortvloeien uit die visie. De visie bestaat uit doelen en intenties die aangeven wat onder een leefbare en duurzame stad dient verstaan te worden. Deze visie is geconcretiseerd in indicatoren. Deze indicatoren laten toe na te gaan of de steden in de gewenste richting evolueren. Uiteraard moeten de indicatoren ook van data voorzien worden. Bij de zoektocht naar data wordt beroep gedaan op drie soorten bronnen:

• centrale databanken beschikbaar in federale of Vlaamse instellingen;

• decentrale data die door de steden zelf worden verzameld en bezorgd;

• grootschalige survey bij de inwoners van de groot- en centrumsteden.

Niet alle indicatoren konden sinds de laatste editie worden ingevuld met data. Voor deze indicatoren zijn zogenaamde ‘pistes’ uitgetekend om verder uit te werken. Een piste is een voorstel om een indicator op termijn van data te voorzien. Hier tonen zich de zogenaamde ‘gaten’.

De ‘gaten’ in de Stadsmonitor

We zoomen in op drie indicatoren die in de recentste editie van 2011 nog niet ingevuld zijn met data en/of die nog geen duidelijke omschrijving hebben van hun functie en aldus begeleid zijn door een piste. Het zijn deze drie pistes waarvoor Hajer en Reijndorp’s onderscheid mogelijk relevant kan zijn. Deze drie nog niet gehanteerde indicatoren zijn ‘Deelname aan het maatschappelijk leven’; ‘Kwaliteit van de openbare ruimte’ en ‘Speelweefsel’.

Waarom zijn deze indicatoren nog niet ingeschakeld? Het antwoord van de Vlaamse Overheid geeft aan waar de moeilijkheden liggen. De verzameling van data met betrekking tot de eerstgenoemde indicator, ‘Deelname aan het maatschappelijk leven’, stelt organisatorische moeilijkheden. De dataverzameling van de tweede indicator, ‘Kwaliteit van de openbare ruimte’, stelt definitorische moeilijkheden. De laatstgenoemde indicator, ‘Speelweefsel’, wordt noch gedefineerd, noch voorzien van een piste ter koppeling van data aan de indicator. We zoomen nog wat verder in.

Hoe meet men de ‘Deelname aan het maatschappelijk leven’ ?

De eerste indicator, ‘Deelname aan het maatschappelijk leven’, moet het aandeel meten van personen uit bepaalde doelgroepen, dat deelneemt aan het maatschappelijke leven. Onder “bepaalde doelgroepen” verstaat men hier groepen met minder kansen in de samenleving zoals personen met een handicap, allochtonen, huishoudens met een laag inkomen, eenoudergezinnen, ouderen. Deelname aan het maatschappelijke leven is binnen de Stadsmonitor vrij breed opgevat: geen barrières voor vrijetijdsactiviteiten, cultuur, vorming, verenigingsleven.

De piste die wordt bewandeld om deze indicator van data te voorzien is de organisatie van een bevraging binnen de genoemde doelgroepen. “Een bevraging organiseren binnen de doelgroep is de meest directe weg om de participatie van bijzondere doelgroepen aan het maatschappelijke leven te kennen. Meer direct voor dit thema is de vraag: Gebeurt het dat u laat om deel te nemen aan (vrijetijdsactiviteiten, cultuur, sport, vorming, verenigingsleven) omwille van uw herkomst, inkomen, gezinssituatie, leeftijd, handicap, e.a.”. En ook: “Om de keuze en de inhoud van deze indicator verder te kunnen specifiëren en de specifieke doelgroep(en) dan in kaart te brengen is vooraf overleg met het veld opportuun”, aldus De Vlaamse Overheid. Er is dan ook “[i]n het kader van de verdere ontwikkeling van de stadsmonitor” verder “overleg voorzien met de coördinatoren voor het lokaal sociaal beleid, vertegenwoordigers van het OCMW en CAW”.

Hoe meet men de ‘Kwaliteit van de openbare ruimte’?

De tweede indicator, ‘Kwaliteit van de openbare ruimte’, wil een kwaliteitsindex zijn van de openbare ruimte. Het gaat dan in de letterlijke zin over speeltuinen, parken, groene ruimtes, pleintjes, sportvelden en dergelijke meer. Momenteel kampt men men echter met een definitie-probleem. Opnieuw de Vlaamse Overheid: “Maar men moet de definitie van ‘openbare ruimte’ verfijnen, opdat men een onderscheid kan maken met ‘publieke ruimte’ zoals ook cultuurcentra of musea. ‘Openbaar domein’ verschilt van “privaat domein” en dit zegt iets over het statuut van de ruimte. Publieke ruimte verschilt van privé ruimte: dit slaat op het gebruik en de openstelling van de ruimte voor publiek.” Een meer uitgebreide piste wordt nog niet omschreven.

Hoe meet men het ‘Speelweefsel’?

De laatstgenoemde indicator, ‘Speelweefsel’, wordt noch gedefineerd, noch voorzien van een piste ter koppeling van data aan de indicator. Voor alle duidelijkheid geven we zelf een korte duiding van deze term. In opdracht van de stad Gent (Jeugddienst Gent en de Plangroep Speelruimtebeleid) stelde Kind & Samenleving in 2008 een inspiratieboek samen dat gehanteerd dient te worden bij publieke ruimteprojecten, genaamd ‘Handleiding Speelweefsel: Richtlijnen en inspiratiebeelden voor realisatie van kindgerichte kwaliteitsvolle publieke ruimte’. Deze handleiding omvat richtlijnen om de publieke ruimte kindgericht te ontwikkelen én om het idee van het speelweefsel te versterken en dit specifiek voor de stad Gent. “Het moet”, aldus de auteurs, “het inzicht vergroten en de communicatie bevorderen rond de realisatie van speel- en ontmoetingskansen in de publieke ruimte”.

Het document is opgebouwd uit drie grote delen. Het eerste deel zorgt voor een duidelijke visiebepaling van het speelweefsel-idee voor de stad Gent. Een speelweefsel kan opgevat worden als “een samenhangend geheel van plekken en verbindingen die belangrijk zijn voor kinderen en jongeren". In dit deel wordt de term “speelweefsel” volledig ontleed. De verschillende lagen van een speelweefsel alsook termen als beleefbaarheid, speelsheid, bespeelbaarheid, veiligheid, diversiteit en multifunctionaliteit, verbeeldbaarheid, avontuurlijkheid,… zorgen voor rijke nuance van de term ‘speelweefsel’.

Vijf jaar later verschijnt het vervolg op ‘Handleiding Speelweefsel’: op dinsdag 13 december 2011 stelt de Stad Gent de handleiding ‘Verbindingsweefsel in Gent’ voor aan het publiek. Deze handleiding ‘Verbindingsweefsel in Gent’ werd opgemaakt door Fris in het Landschap samen met Kind en Samenleving. Het document geeft voorbeelden en inspiratie voor een kwalitatieve inrichting van veilige en speelse verbindingswegen. De Stad Gent zoomt na de eerste handleiding dus verder in op de verbindingswegen tussen het speelweefsel. En met haar de Vlaamse Overheid en haar stedenbeleid. Tot zover de notie ‘Speelweefsel’.

Conclusie?

We keren nu even terug naar het begin. Onze stelling was dat er gelijkenissen zijn tussen een polis en een stad en wel omdat beide samenlevingsvormen zijn. Met Aristoteles bleek immers dat elke samenleving uiteindelijk het goede leven als doel heeft. Het onderscheid tussen samen-leven en goed-leven vonden we in zekere zin terug bij de Nederlanders Hajer’s en Reijndorp en wel in hun onderscheid tussen ‘openbare ruimte’ en 'publiek domein'.

Welnu, blijkbaar is er sinds 2000 in het Vlaamse stedenbeleid een gelijkaardige discussie nodig/bezig aangaande dit onderscheid. Dit toont zich in de ‘gaten’ binnen de Stadsmonitor, met name, de probleemgevallen van drie indicatoren die in verband staan met de meetbaarheid van het goede-leven. Willen we met andere woorden het goede-leven meten binnen de grootstedelijk vergroeide samenleving, dan komt het er op aan deze drie beschreven indicatoren te verlossen van hun problematische, inactieve situatie.

Momenteel worden ze immers niet gehanteerd omwille van de beschreven problematieken inzake organisatie, definitie, absentie van de essentie van hetgeen gemeten zou moeten worden. Gaat U er iets aan doen? Of meent u dat dit au fond uw taak niet is? Of betaalt u gewoon uw volksvertegenwoordigers om het voor U te doen, zodat u kan klagen indien het niet gebeurt (zoals U wil)?

Epiloog

In globaal opzicht toont deze situatie van de Vlaamse Stadsmonitor hoe weinig lokaal haar problematiek eigenlijk is. ‘Publieke ruimte’, ‘De Ander’, ‘het failliet van het multiculturalisme’, het zijn de laatste jaren dé Google-termen van de hedendaagse (continentale) wijsbegeerte en de Europese menswetenschappen. Natúúrlijk schoten de Europese intelligentsia en tal van universiteiten, hogescholen en studiekringen na 9/11 in actie – het zogenaamde begin van de breuk met het naïeve mutliculturalisme van de transculturele vibraties - en gingen er - terecht - uitvoerige budgetten op aan het onderzoek van de meetbaarheid van zoiets als ‘de ‘Deelname aan het maatschappelijk leven’ en ‘Kwaliteit van de openbare ruimte’. De notie ‘Speelweefsel’ werd à propos ietwat verwaarloosd. Desondanks heb ik op deze metingsvragen mijn eigen bescheiden antwoord op basis van een zelfstandig draaiend model (ik verdien er zelfs mijn centen mee). Ik ga dat model in dit artikel niet uit de doeken doen, u bent daar immers niet mee gediend. De vraag is veeleer: wat is uw antwoord?

P.S.: de noten in dit artikel zijn achterwege gebleven omwille van technische blogdetails die ik nog niet bemeester.

P.P.S.: ik nodig u in elk geval uit op de 'Dag van de Openbare Ruimte’ op 1 en 2 februari 2012 in ons eigenste Bruxelles. Voor alle info, check: www.openbareruimte.be

P.P.P.S: Last but not least - ik vind het eigenlijk zeer opmerkelijk dat Filosofie.BE verbroedert met Nederlandse collega’s (met alle respect overigens voor onze Hollandse vrienden) én zich nog steeds Belgisch noemt. Ik beschouw dit eerder als een ongewilde annexering. Er zou mijn inziens dan in feite beter sprake zijn van zoiets als Filosofie.VL of Filosofie.NL in plaats van Filosofie.BE.

Ik heb dan ook lang getwijfeld of ik deze Nederlandstalige verbroedering zomaar moest bijtreden, niet omwille van mijn haatdragendheid of iets dergelijks jegens Nederlandse filosofieën (integendeel) of jegens het zeer lovenswaardige initiatief van deze overkoepelende blogsite, maar eerder omwille van mijn belgicisme. Bij deze nodig ik dan ook elke verantwoorde reactie uit over de naamgeving van Filosofie.BE en haar exclusief nederlandstalig karakter.

Maar eigenlijk kan het me weinig schelen. U leest dit toch niet. Ja, ik heb het op U, mijn geliefde Waalse vriend. Merci pour la patience, daimoon, je n’ai pas oublié l’histoire de la Belgique. Het is alsof men de Friesen en Afrikaners zou vergeten, of de Deutschsprachige Belgen. Stel je voor !

Bon regards,

De Neo-Cynicus


Reacties (5)

Andreas,

een uitgebreider reactie kan nog volgen.... in de tussentijd : we werken aan een Engelstalige versie van de site. Misschien kan die, met Engels als voertaal, dienen als compromis voor de Walen en de Vlamingen (zoals het in Brussel ook vaak gebeurt)?

Terechte opmerking in elk geval, ik zou het bijna vergeten anders.

   

Beste,

Ik vind vooral dat het niet veel uitmaakt welke domeinnaam deze site heeft. De bezoekers van deze site hebben een gemeenschappelijke interesse, nl. filosofie en ze zijn gedwongen om het in het Nederlands te lezen. (Waarom geen Franstalige versie?)

Over de domeinnaam: het maakt niet uit wie de bezoekers zijn. De domeinnaam heeft geen eigen willetje dus kan ook niet 'ongewild geannexeerd' worden. De betekenis en het gewicht dat jij daaraan geeft verandert daar niets aan.
Je wilt de naam een Nederlands-Vlaams (of Vlaams-Nederlands?) karakter geven omdat er naar jou mening geen Waalse lezers zijn. Volgens jou bepaalt de nationaliteit/taal van de bezoekers de domeinnaam. Een afbakening waar de domeinnaam zelf niet op aan het wachten is volgens mij.

Het frappantste is dat dit duidelijk jou visie is, maar dat je de beweegredenen voor de verandering bij de 'ongewilde annexatie' van de domeinnaam legt. Welke geen wil heeft, dus het is de jouwe.

Ik begrijp dus niet waarom dit relevant kan zijn voor mij. Waarom is dit relevant voor jou?

   

Geachte Tsunami,

Bedankt voor de tussentijdse reactie.

In verband met dit artikel:
Origineel ging bovenstaand artikel in het Frans gepubliceerd worden op deze site. Deels als statement, deels als beleefde provocatie. Ik was echter te lui om dit te vertalen (ik schrijf als Vlaming in eerste instantie in het Nederlands). Ook had ik weinig zin om in eventuele, ongenuanceerde partijpolitieke discussies terecht te komen.

Verder, in verband met de site in het algemeen:
Ik zou iedereen aanraden om ook Franstalige artikels te posten. Het is verder technisch waarschijnlijk niet veel moeite om de gebruiker te laten schakelen tussen een Nederlandstalige/Franstalige (Engelstalige/Duitstalige) interface.

Tenslotte blijft het natuurlijk de vraag of Filosofie.be een neutrale representatie wil zijn van huidige maatschappelijke verhoudingen of een alternerende deconstructie ervan.

Ik ben zelf eerder geneigd tot het laatste, maar dat is natuurlijk de luxe van een auteur die zich niet bezighoudt met de technische ondersteuning van de website en de praktische beslissingshorizon die daarmee gepaard gaat.

Toch meen ik dat te weinig auteurs de maatschappelijke functie van dit medium tot onderwerp maken van hun filosofische reflecties. Maar tja, elkeen zijn interesses, vermoed ik.

Wat is er filosofischer dan te filosoferen over het medium waarbinnen het filosoferen plaatsvindt, met name, in dit geval, het medium Filosofie.be? Wat is de filosofie van Filosofie.Be? Deze moet voor mij niet expliciet opgesteld worden als een soort manifest, liefst niet eigenlijk. Maar vergeet toch ook vooral niet: "The Medium is the Message" (Marshall McLuhan).

Alvast bedankt voor je bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

Andreas Lauwers

   

Geachte PVS,

Bedankt voor je reactie. Ik ga kort in op twee punten.

Ten eerste, ik stem in met je opmerking dat de bezoekers van deze site een gemeenschappelijke interesse hebben, nl. filosofie en dat ze gedwongen zijn om het in het Nederlands te lezen.

Het is echter de vraag in welke mate 'filosofie' niet de lading dekt van betekenissen die bijvoorbeeld met 'philosophie' worden geassocieerd. Natuurlijk ligt het keuzemoment hieromtrent niet bij deze site, maar bij de gebruiker zelf, die bijvoorbeeld voorafgaand aan zijn sitebezoek in Google intypte: 'filosofie' en niet 'philosophie'. Hierbij gaat de gebruiker volgens jou simpelweg op zoek naar filosofie in het algemeen, maar dan wel in het Nederlands. Zijn zoektocht in het Nederlands is voor jou een eerder banale vaststelling en zeker niet essentieel: de gebruiker is niet noodzakelijk op zoek naar zoiets als Nederlands-Vlaamse (of vice-versa) Filosofie. Extrapolerend: filosofie zou iets zijn dat alle landsgrenzen en/of taalgrenzen overstijgt en in die zin maakt het niet uit in welke taal men zich met filosofie bezighoudt, het is in alle landen/talen hetzelfde. Er valt inderdaad iets voor te zeggen dat - als er al zulk een vertaalbaar woord zou bestaan in al die landen en in al die talen en als het al niet het woord 'God' of 'kunst' is - dat het dan 'filosofie' zou zijn. Hier ga ik om pragmatische redenen momenteel wel even mee akkoord.

Ten tweede, je merkte iets op over mijn vermelding van een "ongewenste annexatie" van de domeinnaam 'Filosofie.Be' door deze Nederlandstalige site. Deze vermelding heeft twee wortels:

1. De eerste site van Filosofie.BE stond op zichzelf (overigens ook geheel in het Nederlands). De tweede site, deze site, werd aan alle auteurs en aan nieuwe gebruikers voorgesteld als een koppeling van Filosofie.BE (oude) en Filosofieblog.NL (de Nederlandse tegenhanger): "Deze site is er gekomen ter vervanging van de sites www.filosofie.be en www.filosofieblog.nl. Met de lancering van deze nieuwe site hopen we één grote Nederlandstalige filosofie-community te lanceren." Dit kan niet anders dan als een lovenswaardig initiatief beschouwd te worden ten aanzien van filosofie in het algemeen, in de betekenis van hierboven.

2. Anderzijds wijk ik hier af van jouw volgende stelling. Je gaf dit zelf als volgt aan: "Je wilt de naam een Nederlands-Vlaams (of Vlaams-Nederlands?) karakter geven omdat er naar jou mening geen Waalse lezers zijn." Laat me hierover zeggen dat ik dit voornamelijk ironisch suggereerde om aan te wijzen dat er mijn inziens iets niet klopt. En dan de stelling: "Volgens jou bepaalt de nationaliteit/taal van de bezoekers de domeinnaam." Mijn commentaar luidt:

De domeinbepaling .BE kan mijn inziens - minstens door filosofen ! - genuanceerder ingevuld worden. Natuurlijk staat er niet Philosophie.BE. Deze site betreft weldegelijk het resultaat van een gebruiker die filosofie in het Nederlands zoekt en dit op een Belgische domeinnaam aantreft. Maar dat is net het punt dat ik wilde maken: hoe kan men nu op 'het Belgische' aanspraak maken als men enkel gevonden kan worden door Nederlandstalige zoekers?

Dit veronderstelt natuurlijk een bepaalde positie ten opzichte van wat dat 'Belgische' juist inhoudt. Opnieuw, het is niet mijn missie om u van enige politieke gekleurdheid te overtuigen, maar vooral om aan te tonen dat er een zekere structurering aan het werk is in zelfs de meest banale, technische details, een structurering die bepaalde posities, in dit geval, ten opzichte van 'het Belgische', denkbaar of ondenkbaar maakt. Kortom, ik ben zeker niet van mening dat de nationaliteit/taal van de bezoekers de domeinnaam bepaalt.

Veeleer is het omgekeerde het geval: de domeinnaam bepaalt de nationaliteit/taal van de bezoekers. Filosofie.Be bepaalt in die redenering inderdaad - in alle fallibilistische, ontoereikende bescheidenheid - mede de Belgische nationaliteit en haar toegankelijkheid via taal. Maar deze nationaliteit blijkt - zo lees ik althans in de ongedachte boodschap van deze site - enkel toegankelijk via de Nederlandse taal. Terwijl ze mijn inziens minstens ook via de Franse taal moet toegankelijk zijn, wil er zoiets als 'het Belgische' bereikt worden. Een bereik dat zeker niet adequaat is door het probleem te ontwijken door het te ver -Engelsen, noch door het af te scheiden van de interactie met het Nederlandstalige publiek door middel van zoiets als bijv. een louter Franstalige Philosophie.BE.

Wel zou dit bijvoorbeeld idealiter vragen om ook Franstalige artikels op Filosofie.BE en ook Nederlandstalige artikels op zoiets als Philosophie.BE. Enkel zo zou er sprake kunnen zijn van Walingen & Flamen bijvoorbeeld. Een denkcategorie die momenteel enkel leidt tot verwarrende neologismen en niet tot de denkbaarheid van 'het Belgische'.

Tot slot, deze hele analyse teert op de luxe van een auteur die zich niet moet bezighouden met de technische ondersteuning van de website en de praktische beslissingshorizon die daarmee gepaard gaat (zoals ik in de vorige reactie ook reeds aangaf). Het betreft vooral een aanzet tot een filosofische analyse van het medium genaamd Filosofie.BE. De redenen hiertoe ziet u beknopt beschreven in mijn eerdere reactie hierboven.

Alvast bedankt voor je bijdrage,

De Neo-Cynicus

Andreas Lauwers

   

Beste Neo-Cynicus,

Waarom nodig jij (of iedereen die het maar wil) geen Franstalige filosofen uit om op dit forum teksten te plaatsen en om te reageren op teksten van anderen?

Is dat geen goed idee?

Het lijkt me een interessant experiment, dat overigens ook filosofisch verhelderend kan werken (of althans interessante aspecten van filosofie aan het licht kan brengen).

Hoe doe je dat in het NL reageren op een FR tekst en omgekeerd? Klinken belangwekkende uitspraken in het NL (of het FR) plots heel anders als je ze vertaalt naar het FR (of het NL)? Zijn FR filosofen met heel andere dingen bezig dan NL filosofen? Enzovoort!

Mvg,

Aliaspg

   

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie